Annotaties OR 2013-0269

H. Koster | 05-08-2013

Commentaar bij HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840


Download pdf

Lees ook de rechtspraak: Hoge Raad 15-03-2013


Portret_koster

Commentaar bij HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840

Deze uitspraak van de Hoge Raad is van belang vanwege twee aspecten. Ten eerste omdat aan de orde komt de wijze waarop maten aansprakelijkheid gesteld kunnen worden en ten tweede door de beantwoording van de vraag of een maatschap een afgescheiden vermogen heeft. Allereerst ga ik op de aansprakelijkheid in. Uit deze uitspraak blijkt dat er drie mogelijkheden bestaan om tot aansprakelijkheid te komen bij een maatschap. Ten eerste kan een maat in die hoedanigheid aansprakelijk zijn, in beginsel voor gelijke delen (artikel 7A:1679-1681 BW). Het kan evenwel ook hoofdelijke aansprakelijkheid betreffen op grond van artikel 7:407 lid 2 BW. Dit omdat de Hoge Raad van mening is dat aanvaarding van een opdracht door een maatschap voor de toepassing van artikel 7:407 lid 2 BW inhoudt dat daardoor twee of meer personen gezamenlijk een opdracht hebben ontvangen. Ten tweede kan sprake zijn van persoonlijke aansprakelijkheid op grond van artikel 7:404 BW. Ten derde kan ervoor worden gekozen om de maatschap aansprakelijk te stellen. Deze derde optie kan gecombineerd worden met (een van) de andere twee mogelijkheden.

Ten tweede is dus belangrijk dat de Hoge Raad met deze uitspraak duidelijkheid creëert over de vraag of een openbare maatschap wel of geen afgescheiden vermogen heeft. Bij een afgescheiden vermogen is sprake van een vennootschapsrechtelijke, gebonden gemeenschap waarop de vennootschapscrediteuren zich met voorrang op de privécrediteuren van de afzonderlijke vennoten kunnen verhalen. Over deze kwestie is in de literatuur langdurig discussie gevoerd. Voor de vennootschap onder firma (HR 26 november 1897, W 7047 (Boeschoten/Besier)) en voor de commanditaire vennootschap (HR 14 maart 2003, NJ 2003, 327 (Hovuma/Spreeuwenberg)) had de Hoge Raad al eerder bevestigd dat deze entiteiten een afgescheiden vermogen toekomen. Belangrijke argumenten voor de Hoge Raad in 1897 waren de eisen van het handelsverkeer, de kenbaarheid van het bestaan van de firma door het gebruik van een gemeenschappelijk naam richting derden, en het bestaan van vergelijkbare juridische figuren in het Romeinse en oud-vaderlandse recht. De Hoge Raad sprak destijds over: ‘Een opvatting die sedert meerdere eeuwen in het handelsrecht van verschillende volken werd gevonden’. Deze argumenten lijken ook nu nog steeds onverminderd op te gaan.

De Hoge Raad beantwoord de vraag of een openbare maatschap ook een afgescheiden vermogen heeft, in het onderhavige arrest bevestigend door uit te spreken dat vorderingen uit een overeenkomst die met een maatschap is aangegaan, verhaald kunnen worden op het vermogen van de maatschap, welke vermogen een afgescheiden vermogen vormt. Daarbij verwijst de Hoge Raad naar artikel 3:192 BW in verbinding met artikel 3:189 lid 2 BW. Op basis van die beide wettelijke bepalingen werd aangenomen dat een maatschap na haar ontbinding een afgescheiden vermogen heeft. Nu heeft de Hoge Raad dus bevestigd dat openbare maatschappen altijd een afgescheiden vermogen hebben. Dit is voor de praktijk bijzonder relevant, aangezien personenvennootschappen (vooralsnog) geen rechtspersoonlijkheid hebben. Wel wordt die rechtspersoonlijkheid enigszins benaderd door het afgescheiden vermogen. Maar nog beter zou het zijn om aan personenvennootschappen - al dan niet optioneel zoals in het in 2011 ingetrokken wetsvoorstel over de openbare vennootschap was geregeld - rechtspersoonlijkheid toe te kennen. De praktijk heeft daar in bepaalde gevallen behoefte aan, bijvoorbeeld wanneer sprake is van joint ventureverhoudingen. Als voordeel van rechtspersoonlijkheid kan worden gewezen op het feit dat de rechtspersoon rechthebbende is van de goederen van de vennootschap. Dit vereenvoudigt bijvoorbeeld een eventueel beslag op die goederen en de executie daarvan. Ook wordt uittreding, opvolging en toetreding van een vennoot vergemakkelijkt. Hopelijk komt het er nog eens van dat personenvennootschappen over rechtspersoonlijkheid kunnen beschikken. In elk geval is nu bevestigd dat maatschappen een afgescheiden vermogen hebben.