Annotaties OR 2019-0076

A.M. Dumoulin-Siemens | 18-09-2019

Ontslag van de bestuurder van de stichting door de rechter. Wie is de belanghebbende?


Download pdf

Lees ook de rechtspraak: Hoge Raad 12-10-2018, (X/Stichting ANV Fondsen)


Ontslag van de bestuurder van de stichting door de rechter. Wie is de belanghebbende?

Wie wordt ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot ontslag van de stichtingsbestuurder? De auteur analyseert het nieuwste arrest van de Hoge Raad hierover. De conclusie luidt dat de Hoge Raad de bestendige jurisprudentie over de reikwijdte van het belanghebbendebegrip bevestigt en wellicht iets verruimt.

1 Inleiding

Artikel 2:298 Burgerlijk Wetboek (BW) vertrouwt het toezicht op het stichtingsbestuur aan de rechter toe. De bestuurder kan op verzoek van een belanghebbende door de rechter worden ontslagen. De invulling van het begrip belanghebbende bepaalt in welke mate in de praktijk uitvoering kan worden gegeven aan het rechterlijk toezicht. De Hoge Raad heeft recent korte metten gemaakt met de (te) beperkte uitleg, die achtereenvolgens door de Rechtbank Den Haag en het Hof Den Haag aan het begrip belanghebbende is gegeven. Dit artikel analyseert deze uitspraken en de consequenties daarvan voor de praktijk.

2 Juridisch kader: artikel 2:298 BW

Een bestuurder van een stichting die iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten, dan wel zich schuldig maakt aan wanbeheer of niet of niet behoorlijk voldoet aan een bevel van de voorzieningenrechter tot openlegging van de boeken of bescheiden, kan volgens artikel 2:298 BW door de rechtbank worden ontslagen. Dit kan geschieden op verzoek van het Openbaar Ministerie of een belanghebbende.

De wet geeft niet aan wie tot de kring van belanghebbenden behoort. Dit heeft gezorgd voor een scala aan uitspraken (zie par. 2 en 3) en een levendige discussie in de literatuur (zie par. 9). Aanleiding voor deze bijdrage is het arrest[1] Stichting ANV Fondsen, dat de Hoge Raad op 12 oktober 2018 heeft gewezen. De overwegingen uit dit arrest, afgezet tegen de argumenten die de rechtbank in eerste aanleg[2] en het hof in hoger beroep[3] hebben gebezigd, lijken de lijn die in de jurisprudentie is uitgezet, te bevestigen.

Artikel 2:298 BW vertrouwt het toezicht op het bestuur van een stichting aan de rechter toe, omdat een vorm van interne controle bij een stichting kan ontbreken. Een toezichthoudend orgaan is niet dwingend voorgeschreven. Stichtingen hebben bovendien geen leden (zie art. 2:285 BW) en geen aandeelhouders, waardoor een algemene vergadering eveneens ontbreekt. De rechtbank kan de bestuurder niet ambtshalve ontslaan. Dat kan uitsluitend op verzoek van een belanghebbende of het Openbaar Ministerie.[4] Bij de uitvoering van de in artikel 2:298 lid 1 BW neergelegde bevoegdheid is een belangrijke rol weggelegd voor de belanghebbende. Volgens de letterlijke tekst van de wet kan ‘iedere’ belanghebbende bij de rechtbank een verzoek tot ontslag van de bestuurder van een stichting indienen. Het Openbaar Ministerie kan dat ook. De praktijk leert echter dat het Openbaar Ministerie zelden gebruikmaakt van deze bevoegdheid.[5]

De bepaling van artikel 2:298 BW is bedoeld ter bescherming van de belangen van de stichting. Dat is anders met betrekking tot het begrip belanghebbende in – bijvoorbeeld – artikel 279 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het laatstgenoemde artikel biedt een ingang voor de behartiging van de eigen belangen van de verzoeker/belanghebbende. De vraag wat het doel is van de bepaling waaraan de belanghebbende bevoegdheden ontleent, is belangrijk. Het antwoord houdt rechtstreeks verband met de reikwijdte van de kring van personen die zich als verzoeker/belanghebbende tot de rechter kan wenden. De kring van personen die in verband met de externe controle van de stichting een ontslagverzoek ex artikel 2:298 BW bij de rechter kan indienen, zal ruimer kunnen zijn dan de kring van belanghebbenden onder artikel 279 Rv.[6] 

3 Kring van belanghebbenden – jurisprudentie Hoge Raad

Voordat ik toekom aan de analyse van Stichting ANV Fondsen, behandel ik eerst de drie centrale arresten waarin de Hoge Raad invulling heeft gegeven aan het begrip belanghebbende en geef ik een kort overzicht van de lagere rechtspraak over dit onderwerp.

In het Leonhard Woltjer Stichting-arrest[7] uit 1991 oordeelt de Hoge Raad dat voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid wie tot de kring van belanghebbenden zijn te rekenen. De casus betreft een beschikking tot goedkeuring van een besluit tot fusie. De Hoge Raad oordeelt dat een oprichter of iemand die ten tijde van de totstandkoming van het fusiebesluit deel uitmaakt van een van de organen van de stichting in beginsel als belanghebbende moet worden aangemerkt. Een niet tot deze kring behorende persoon kan, aldus de Hoge Raad, slechts dan als belanghebbende in de zin van (thans) artikel 279 Rv worden aangemerkt, als hij door de desbetreffende beschikking een ‘concreet en specifiek nadeel’ ondervindt in zijn betrekking tot de stichting.

In het Scheipar-arrest[8] verruimt de Hoge Raad het begrip belanghebbende door de introductie van de zogeheten tweekringenleer. De Hoge Raad herhaalt de overweging uit het Leonhard Woltjer Stichting-arrest, dat uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid of iemand belanghebbende is. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, speelt volgens de Hoge Raad een rol in hoeverre (kring I) de verzoeker door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen, dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of (kring II) de verzoeker anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.

In het arrest Stichting IHD[9] bevestigt de Hoge Raad de door hem in Scheipar geformuleerde tweekringenleer. De casus betrof een verzoek tot ontslag van bestuurders van een stichting ex artikel 2:298 BW door een gewezen bestuurder. Volgens de Hoge Raad kan onder omstandigheden (ook) een gewezen bestuurder (als behorende tot kring II) als belanghebbende worden aangemerkt. De gebeurtenissen die ten grondslag kunnen worden gelegd aan het ontslagverzoek ex artikel 2:298 BW moeten dan wel tijdens de bestuursperiode zijn voorgevallen en de gewezen bestuurder moet het verzoek binnen een redelijke termijn na het einde van zijn bestuursperiode indienen.

4 Kring van belanghebbenden – jurisprudentie lagere rechtspraak

Hoe gaat de lagere rechtspraak om met de hoedanigheid van de verzoeker? Uit een korte rondgang langs enkele uitspraken blijkt dat de lagere rechtspraak de tweekringenleer consequent toepast. Hierbij zijn met name de uitspraken over kring II interessant.

Uit de uitspraken komt naar voren dat de lagere rechter toetst of de verzoeker/eiser een bepaalde mate van betrokkenheid bij het onderwerp van de procedure kan aantonen en daarom als belanghebbende uit kring II in zijn verzoek dan wel eis kan worden ontvangen. Zo bepaalt bijvoorbeeld het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 22 oktober 2008[10] dat het belang van de verzoeker (dat is de Staat, die subsidie verleende aan de stichting) is gelegen in het in de toekomst voorkomen van onrechtmatig handelen bij de stichting. Gebleken is dat het uitoefenen van repressief toezicht niet volstond.

In een andere zaak oordeelde het Gerechtshof Amsterdam[11] dat de verzoekers er belang bij hebben dat de stichting op behoorlijke wijze wordt bestuurd. Verzoekers zijn curatoren die belast zijn met het beheer en de vereffening van de failliete boedel van de failliet. De failliet is bestuurder van een Stichting Administratiekantoor en houder van door deze Stichting uitgegeven certificaten van aandelen in enkele vennootschappen. Gezien de verwevenheid tussen (het vermogen van) de failliet en de vennootschappen, hebben de curatoren er volgens het hof belang bij dat de Stichting Administratiekantoor op behoorlijke wijze wordt bestuurd. De curatoren worden vanwege deze verwevenheid als belanghebbenden in hun ontslagverzoek ontvangen.

De Rechtbank Rotterdam[12] toetst ook of er belang dan wel betrokkenheid van de verzoeker bij de procedure is. Verzoeker stelt in deze zaak dat hij een schuldeiser is van de stichting. De rechtbank oordeelt dat de betrokkenheid, het bestaan van een vordering, op geen enkele wijze is onderbouwd en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

De Rechtbank Haarlem[13] merkt de Verzekeringskamer aan als belanghebbende in haar verzoek tot ontslag van een bestuurder van een pensioenfonds. De rechtbank baseert haar oordeel op de in de Pensioen- en spaarfondsenwet neergelegde toezichthoudende taak van de Verzekeringskamer.

Tot slot is het Gerechtshof Amsterdam[14] van oordeel dat verzoekers, dochters van een van de bestuursleden van de stichting, niet-ontvankelijk zijn. De dochters stellen dat de overige bestuursleden de vader hebben benadeeld in verband met een door de vader aan de stichting verstrekte lening. De dochters worden niet-ontvankelijk verklaard, omdat het volgens het hof niet voor de hand ligt dat de wetgever crediteuren de mogelijkheid heeft willen geven hun crediteursbelang geldend te maken door met een verzoek ex artikel 2:298 BW in te grijpen in de interne bestuursstructuur van hun debiteur. Daarnaast overweegt het hof dat verzoekers geen toezichthoudende taak ten aanzien van de stichting hebben.

5 Casus Stichting ANV Fondsen

In de zaak Stichting ANV Fondsen zijn de volgende feiten van belang. De Stichting ANV Fondsen (hierna: de Stichting) beheert enkele fondsen, waaronder het zogeheten Visser-fonds (hierna: het Fonds). In het Fonds is de erfenis van mr. H.L.A. Visser ondergebracht. De Stichting heeft het beheer van het Fonds op enig moment overgenomen van de vereniging Algemeen-Nederlands Verbond (hierna: het ANV). De oprichtster van de Stichting is het ANV. Tussen het bestuur van de Stichting en het dagelijks bestuur van het ANV bestaat een personele unie. De leden van het dagelijks bestuur van het ANV vormen tevens de leden van het bestuur van de Stichting.[15] Het gehele bestuur van het ANV bestaat uit negen personen. De leden van het bestuur van het ANV worden gekozen door de algemene vergadering van het ANV. De leden van het ANV hebben geen direct stemrecht in de algemene vergadering. De stemmen worden uitgebracht door de leden van het bestuur (9 stemmen) en door de afgevaardigden van de landenafdelingen (29 stemmen).

Volgens artikel 3 van de (gewijzigde) statuten van de Stichting heeft deze ten doel (a) het beheren en administreren van fondsen van het ANV, (b) het besteden van die fondsen of de revenuen daarvan in overleg met het ANV en (c) het financieel ondersteunen van de werkzaamheden van het ANV.[16]

De Stichting dient volgens het testament van wijlen Visser van de zuivere inkomsten uit het kapitaal van het Fonds jaarlijks of tweejaarlijks ten minste zeven achtste deel te besteden aan enkele door wijlen Visser gespecificeerde doelen. Daarbij moet zij voorstellen van het ANV in aanmerking nemen. In 2014 bedraagt de netto-opbrengst van het Fonds bijna EUR 130.000. De Stichting maakt jaarlijks onder de noemer ‘kostenvergoeding’ bedragen over aan het ANV. De werkzaamheden die het ANV ten behoeve van de Stichting verricht, zouden volgens verzoeker de hoogte van deze bedragen niet rechtvaardigen. Verzoeker stelt dat het bestuur van de Stichting in strijd met het doel van de Stichting en met de verplichtingen uit het testament te veel geld aan personeels-, huisvestings- en organisatiekosten besteedt.

Verzoeker is van juni 2004 tot juni 2012 bestuurder[17] van het ANV geweest en is nog steeds lid van het ANV. Sinds 2009 is verzoeker bestuurslid van een ANV-afdeling. Verzoeker verzoekt de Rechtbank Den Haag primair alle bestuurders van de Stichting met onmiddellijke ingang te ontslaan op grond van artikel 2:298 BW en een nieuw en onafhankelijk bestuur te benoemen op grond van artikel 2:299 BW. Subsidiair wenst verzoeker dat de Stichting op grond van artikel 2:21 lid 4 BW met onmiddellijke ingang wordt ontbonden met benoeming van een onafhankelijke vereffenaar.

Het is wel duidelijk dat verzoeker geen eigen belang heeft bij de uitkomst van de procedure en dus niet tot kring I behoort.[18] De centrale vraag is of verzoeker kan worden ontvangen in zijn verzoek tot ontslag van het bestuur van de Stichting, omdat hij aan de criteria van kring II voldoet. Verzoeker is van mening dat hij zo nauw betrokken is geweest bij het onderwerp van de procedure, te weten het bestedingsbeleid van de Stichting, dat hij belang heeft om toegelaten te worden in zijn verzoek. Verzoeker onderbouwt zijn betrokkenheid met formele en materiële argumenten. Verzoeker is van juni 2004 tot juni 2012 bestuurder van het ANV geweest en is nog steeds lid van het ANV. Sinds 2009 is verzoeker bestuurslid van een ANV-afdeling. Verder heeft verzoeker in de afgelopen jaren geregeld aan de orde gesteld dat het de Stichting niet is toegestaan om uitkeringen aan het ANV te doen. Volgens verzoeker hebben zijn bezwaren geleid tot een aanpassing van de statuten van de Stichting in 2008. Toen is onderdeel c (het financieel ondersteunen van de werkzaamheden van het ANV) uit de statuten geschrapt. Nadien is verzoeker blijven protesteren tegen het feit dat ondanks de statutenwijziging de Stichting doorging met het doen van uitkeringen aan het ANV.

6 Overwegingen rechtbank in Stichting ANV Fondsen

Hoe gaat de rechtbank om met de vraag of verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek?

In de hiervoor aangehaalde voorbeelden uit de jurisprudentie toetste de rechter steeds in hoeverre sprake is van een zekere betrokkenheid van verzoeker bij het onderwerp van de procedure. In de Stichting ANV Fondsen-zaak volgt de Rechtbank Den Haag deze lijn niet. De Rechtbank Den Haag beantwoordt de door haarzelf geformuleerde vraag of er een structuur aanwezig is die ‘tegenwicht kan bieden tegen het zelfstandig en/of eigenmachtig optreden van het bestuur van de Stichting’.[19] De rechtbank acht deze vraag van belang voor de beoordeling of iemand al dan niet als belanghebbende kan worden beschouwd. De rechtbank concludeert dat zo’n structuur bestaat, omdat de algemene vergadering van het ANV diens bestuur en daarmee ook het bestuur van de Stichting kan benoemen, schorsen en ontslaan. De rechtbank merkt verzoeker niet als belanghebbende aan, omdat verzoeker als bestuurslid van een landenafdeling zijn stem in de algemene vergadering kan uitbrengen en zo in staat is controle op het bestuur van de Stichting uit te oefenen.

In mijn noot[20] onder het vonnis van de Rechtbank Den Haag heb ik aangegeven dat ik de rechtbank in haar argumentatie niet kan volgen. In een procedure als de onderhavige moet het belang van de stichting vooropstaan en moet de betrokkenheid van verzoeker in het kader van dat belang worden onderzocht. Dat blijkt uit de hiervoor behandelde jurisprudentie. Dit onderzoek is uiteraard feitelijk van aard en kan tot uiteenlopende uitkomsten leiden. In dit geval echter onderzoekt de rechtbank niet de juiste vraag. De vraag of verzoeker betrokken is bij het onderwerp van de procedure wordt wel gesteld,[21] maar niet beantwoord. De rechtbank beantwoordt slechts de vraag of er externe controle op het bestuur van de Stichting kan worden uitgeoefend. Gezien de hiervoor genoemde voorbeelden uit de jurisprudentie had de rechtbank verzoeker als belanghebbende ontvankelijk kunnen verklaren juist vanwege het gegeven dat verzoeker (indirect) controle kan uitoefenen en daarmee betrokken is – en daar ook blijk van geeft – bij het ontslagverzoek wegens doeloverschrijding.

7 Overwegingen hof in Stichting ANV Fondsen

In beroep toetst het Gerechtshof Den Haag of verzoeker een bepaalde en voldoende mate van betrokkenheid bij het onderwerp van de procedure kan aantonen. Het hof oordeelt dat het lidmaatschap van het ANV, het lidmaatschap van het bestuur van een afdeling van het ANV en het voormalig lidmaatschap van het bestuur van de vereniging onvoldoende zijn om hem als belanghebbende in de zin van artikel 2:298, 2:299 en 2:21 lid 4 BW aan te merken.[22] Ook de feitelijke bemoeienis van verzoeker bij het uitgavenbeleid van de Stichting mag hem niet baten. Volgens het hof[23] is onvoldoende gebleken van een specifiek en concreet belang van verzoeker. Het hof acht hierbij van belang dat het ontslag van de bestuurders en de ontbinding van de Stichting ingrijpende verzoeken zijn. Daarnaast laat het hof meewegen dat het ANV op grond van de statutaire inrichting van zowel de Stichting als het ANV zelf en de verwevenheid van het vermogen tussen beide rechtspersonen een nauwere betrokkenheid heeft bij het bestedingsbeleid dan verzoeker.

Het is de vraag of het hof de tweekringenleer toepast. Verzoeker dient volgens het hof een ‘specifiek en concreet belang’ te hebben. Deze formulering ben ik in de eerdere jurisprudentie niet tegengekomen. In het Leonhard Woltjer Stichting-arrest uit 1991 gold als maatstaf dat de verzoeker door de desbetreffende beschikking een concreet en specifiek nadeel ondervindt in zijn betrekking tot de stichting.[24] Het hof lijkt hierbij aansluiting te zoeken. Nadien heeft de Hoge Raad de kring van belanghebbenden echter verruimd door de introductie van de tweekringenleer in de Scheipar-[25] en Stichting IHD[26]-arresten. Het argument van het hof dat het ontslag van de bestuurders en de ontbinding van de Stichting ingrijpende verzoeken zijn, zou pas aan de orde moeten komen bij de inhoudelijke toetsing van het verzoek, nadat verzoeker ontvankelijk is verklaard.

8 Gevolgen van de beschikking van het hof voor de praktijk

In mijn noot[27] onder de beschikking van het hof heb ik mij afgevraagd welke personen binnen het ANV of de Stichting op basis van de uitspraak van het hof het ontslag van het bestuur van de Stichting of de ontbinding van de Stichting kunnen verzoeken. Door de beperkte maatstaf die het hof aanlegt, wordt de kring van mogelijk belanghebbenden wel erg klein. Bestuursleden van het ANV die geen bestuurslid van de Stichting zijn (geweest), zullen blijkens het oordeel van het hof niet-ontvankelijk worden verklaard. De kring van betrokkenen lijkt hiermee te worden beperkt tot (oud-)bestuursleden van de Stichting en tot het ANV zelf. De kans dat (oud-)bestuursleden van de Stichting hun eigen ontslag en dat van hun medebestuursleden bewerkstelligen, is niet heel groot. Gezien de statutaire en financiële verwevenheid tussen de Stichting en het ANV zie ik ook niet snel gebeuren dat het (bestuur van het) ANV het initiatief neemt tot het indienen van een ontslagverzoek.

Het externe toezicht dat de rechter op grond van artikel 2:298, 2:299 en 2:21 lid 4 BW op het bestuur kan uitoefenen, wordt door de beschikking van het hof beperkt. Buiten het gegeven dat het hof de betrokkenheid van verzoeker heeft beoordeeld aan de hand van een (te beperkte) maatstaf die door de Hoge Raad is verlaten, betwijfel ik of de uitkomst strookt met het doel van artikel 2:298 BW. De bevoegdheid neergelegd in artikel 2:298, 2:299 en 2:21 lid 4 BW is geen ‘actio popularis’.[28] Anderzijds moet, in de woorden van A-G Timmerman,[29] worden voorkomen dat het met artikel 2:298 BW beoogde rechterlijke toezicht op het bestuur door een te beperkte uitleg van het begrip belanghebbende ‘een papieren tijger’ wordt.

9 Literatuur

In de literatuur wordt verdedigd dat de tweekringenleer ruimer moet worden toegepast. Ik refereerde hier in mijn noot[30] onder de uitspraak van de rechtbank al aan. Ook een persoon die niet direct bij de stichting is betrokken en die niet zelf concreet en specifiek nadeel ondervindt als het verzoek niet wordt gehonoreerd, zou volgens Van der Ploeg[31] onder omstandigheden als belanghebbende moeten kunnen worden aangemerkt. Overes[32] betoogt dat de kring van personen die zich tot de rechter kunnen richten ruimer zal kunnen zijn, omdat de voorzieningen die de rechter kan treffen er mede toe strekken het belang van de stichting te beschermen. Koelemeijer[33] meent dat de tweekringenleer ruimer zou moeten worden toegepast bij maatschappelijke stichtingen dan bij stichtingen waarin geen maatschappelijke activiteiten worden ontplooid. Volgens Rensen[34] is de in het IHD-arrest gegeven uitleg van het belanghebbendebegrip nog steeds leidend, maar er wordt niet altijd op expliciete wijze aan getoetst. Rensen noemt hierbij onder meer de beschikking van het hof in de Stichting ANV Fondsen-zaak.

10 Overwegingen Hoge Raad in Stichting ANV Fondsen

Inmiddels heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over het door verzoeker ingestelde cassatieberoep. De Hoge Raad bevestigt kort en bondig de bestendige lijn uit de Scheipar- en Stichting IHD-arresten. Onder verwijzing naar het Stichting IHD-arrest uit 2006 herhaalt de Hoge Raad dat artikel 2:298, 2:299 en 2:21 lid 4 BW niet vermelden wie als belanghebbende in de zin van deze artikelen kan worden gerekend. Dit moet, zo de Hoge Raad, uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. De Hoge Raad vervolgt met de overweging dat de tweekringenleer de maatstaf is bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is.[35] De Hoge Raad benoemt alle omstandigheden die de mate van betrokkenheid van verzoeker bij de Stichting aantonen: verzoeker is bestuurder van het ANV geweest in de periode dat de Stichting de fondsen beheerde, verzoeker is bestuurder van een ANV-afdeling, verzoeker heeft zich sterk gemaakt voor de statutenwijziging en is, ten slotte, tijdens zijn bestuurslidmaatschap van het ANV en nadien erop blijven wijzen dat de Stichting te veel kosten van het ANV voor rekening van het Fonds bracht. Het onderwerp dat in deze procedure wordt behandeld, is de vraag of het bestedingsbeleid van de Stichting voldoet aan de testamentaire en statutaire voorwaarden. De aangevoerde omstandigheden zijn zodanig dat het hof nader had moeten motiveren waarom deze, gezien het onderwerp van de procedure, onvoldoende zijn om verzoeker als belanghebbende ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek. De Hoge Raad overweegt vervolgens:

‘Daarbij is van belang dat aan de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat [verzoeker] geen bestuurder van de Stichting is (geweest) in dit verband geen beslissende betekenis toekomt.’[36] 

Tevens maakt de Hoge Raad duidelijk dat de omstandigheid dat de verzochte voorzieningen buitengewoon zwaar ingrijpen in (de governance van) de Stichting pas bij de inhoudelijke toetsing van de verzoeken moet worden betrokken.[37] Dit gegeven speelt geen rol bij de beantwoording van de ontvankelijkheidsvraag. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het Gerechtshof Den Haag en verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam.

11 Ruimere invulling van het begrip belanghebbende?

De omstandigheden die volgens verzoeker zijn betrokkenheid bij het onderwerp van de procedure bevestigen, worden in detail door de Hoge Raad weergegeven.[38] Daarnaast benadrukt de Hoge Raad dat geen beslissende betekenis toekomt aan het feit dat verzoeker nooit bestuurder van de Stichting (zelf) is geweest. Het lijkt alsof de Hoge Raad zich voorstander toont van een ruime(re) interpretatie van het begrip belanghebbende. Ook een verzoeker die geen oprichter of bestuurder van de stichting is of is geweest, maar wel op andere wijze zijn betrokkenheid bij de Stichting en het onderwerp van de procedure heeft aangetoond, kan als belanghebbende worden aangemerkt. In Stichting IHD handelde verzoeker/belanghebbende in zijn hoedanigheid van gewezen bestuurder. De Hoge Raad lijkt in Stichting ANV Fondsen nog een stapje verder te gaan.

Ik meen dat het arrest van de Hoge Raad recht doet aan het doel van artikel 2:298, 2:299 en 2:21 BW. De rechter kan zijn bevoegdheid tot het uitoefenen van toezicht op het bestuur van de stichting op de voet van artikel 2:298 BW slechts uitoefenen als een belanghebbende of het Openbaar Ministerie daartoe het initiatief neemt. Omdat niet gerekend kan worden op het Openbaar Ministerie, zal de belanghebbende in het belang van de stichting moeten kunnen handelen. A-G Verburg was in 1987 al van mening dat de rechter een autonome taak heeft bij de uitvoering van zijn taak het begrip belanghebbende inhoud te geven. Daarbij spelen relevante maatschappelijke ontwikkelingen een belangrijke rol.[39]

12 Toekomstig recht – Wet bestuur en toezicht rechtspersonen

Het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen voorziet in een wettelijke grondslag voor de mogelijkheid tot instelling van een raad van commissarissen bij de stichting.[40] Tevens bevat het wetsvoorstel een verruiming van de gronden voor ontslag van een bestuurder (en commissaris) van een stichting. Het begrip belanghebbende wordt in het wetsvoorstel echter niet nader ingevuld. De memorie van toelichting[41] verwijst naar het Stichting IHD-arrest en vermeldt dat het wetsvoorstel geen verandering aanbrengt in de daarin geformuleerde maatstaf voor de invulling van het begrip belanghebbende.

Onder huidig recht kunnen de benoeming en het ontslag van een bestuurder statutair zijn toegekend aan een ander orgaan van de stichting, bijvoorbeeld een raad van toezicht.[42] Benoeming bij wijze van coöptatie komt echter veel voor.[43] Als de raad van commissarissen bij de stichting eenmaal een wettelijke grondslag heeft verkregen, zou de wijze waarop de bevoegdheden van een raad van commissarissen bij de stichting worden ingevuld, wel eens van invloed kunnen zijn op de reikwijdte van het begrip belanghebbende. In het geval de raad van commissarissen naast een adviserende functie ook de bevoegdheid heeft de bestuurder van de stichting te benoemen en te ontslaan, is het de vraag of verzoekers met een ‘lossere’ relatie met de stichting door de rechter in hun ontslagverzoek zullen worden ontvangen. De tijd zal het leren. Onder het huidige recht heeft de Hoge Raad duidelijkheid gecreëerd.

Noten

[1] HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1900.

[2] Rb. Den Haag 30 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11933.

[3] Hof Den Haag 25 april 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1035.

[4] Overes, in: GS Rechtspersonen, art. 2:298 BW, aant. 1.

[5] Zie voor verwijzingen naar literatuur over dit onderwerp de conclusie van A-G Timmerman, ECLI:NL:PHR:2018:696, nr. 3.8 (voetnoot 26) onder ECLI:NL:HR:2018:1900 (Stichting ANV Fondsen) (hierna: conclusie Timmerman).

[6] Overes, in: GS Rechtspersonen, art. 2:295 BW, aant. 3.

[7] HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387, NJ 1992/149 m.nt. Maeijer.

[8] HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486 m.nt. Maeijer.

[9] HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45 m.nt. Maeijer.

[10] Hof ’s-Hertogenbosch 22 oktober 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BG2138.

[11] Hof Amsterdam 21 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3029.

[12] Rb. Rotterdam 11 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2004.

[13] Rb. Haarlem 24 april 1996, JOR 1998/17 m.nt. Wessels.

[14] Hof Amsterdam 26 januari 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AV8310.

[15] Zie r.o. 5.8 in de uitspraak van de rechtbank: Rb. Den Haag 30 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11933.

[16] Onderdeel c van art. 3 van de statuten is later geschrapt. Zie het einde van deze paragraaf.

[17] Verzoeker was geen lid van het dagelijks bestuur van het ANV en dus geen bestuurder van de Stichting.

[18] Op basis van hetgeen in de procedure is gesteld, concludeert de rechtbank dat verzoeker niet behoort tot kring I; zie r.o. 5.3 in de uitspraak van de rechtbank: Rb. Den Haag 30 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11933. In hoger beroep stelt verzoeker niet dat hij opkomt ter bescherming van een eigen belang waarin hij kan worden getroffen; zie par. 2.9 in conclusie Timmerman.

[19] Zie r.o. 5.6 in de uitspraak van de rechtbank: Rb. Den Haag 30 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11933.

[20] Rb. Den Haag 30 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11933, JIN 2016/223.

[21] In r.o. 5.4.

[22] Het hof heeft in zijn beschikking onbestreden overwogen dat de tweekringenleer ook van toepassing is op het begrip belanghebbende in art. 2:21 BW. Hierover lijkt in de literatuur discussie te bestaan. Zie conclusie Timmerman, nr. 3.7.

[23] R.o. 2.11.

[24] Zie r.o. 4.2 in het arrest Leonhard Woltjer Stichting, HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387, NJ 1992/149 m.nt. Maeijer.

[25] Zie r.o. 3.3.2 in het arrest Scheipar, HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486 m.nt. Maeijer.

[26] Zie r.o. 3.4.2 in het arrest Stichting IHD, HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45 m.nt. Maeijer.

[27] Hof Den Haag 25 april 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1035, JIN 2017/139.

[28] Conclusie Timmerman, nr. 3.8.

[29] Ibid.

[30] Rb. Den Haag 30 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11933, JIN 2016/223.

[31] P.L. Dijk & T.J. van der Ploeg, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer: Kluwer 2013, p. 280.

[32] Overes, in: GS Rechtspersonen, art. 2:295 BW, aant. 3.

[33] M. Koelemeijer, De nieuwe ontslagregeling voor de stichting, naar een beter bestuur en toezicht?, TvOB 2017, afl. 1, p. 26.

[34] Asser/Rensen 2-III 2017/351.

[35] R.o. 4.1.2.

[36] R.o. 4.1.4.

[37] R.o. 4.2.

[38] R.o. 4.1.4.

[39] Zie conclusie Timmerman, nr. 3.10 en de verwijzing daarin naar de conclusie van A-G Verburg in voetnoot 29.

[40] Art. 292a lid 1 wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen luidt als volgt: ‘Tenzij uitvoering is gegeven aan artikel 291a lid 1, kan bij de statuten worden bepaald dat er een raad van commissarissen zal zijn. Deze kan ook als raad van toezicht worden aangeduid. De raad van commissarissen bestaat uit een of meer natuurlijke personen.’

[41] Kamerstukken II 2015/16, 34491, 3, p. 7 (MvT).

[42] Overes, in: GS Rechtspersonen, art. 2:286 BW, aant. 11.1.

[43] Ibid.