Annotaties OR 2015-0350

T.D.J. Oosterink | 29-08-2017

Rechtstreekse vergoeding van afgeleide schade van een vennoot in een personenvennootschap


Download pdf

Lees ook de rechtspraak: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-10-2015, (X/Y)


Rechtstreekse vergoeding van afgeleide schade van een vennoot in een personenvennootschap

Schade aan het vermogen van een personenvennootschap heeft voor de individuele vennoten zowel rechtstreekse als afgeleide schade tot gevolg. De auteur onderzoekt hoe dit zit en of individuele vennoten die beide schadesoorten buiten de personenvennootschap om op de schadetoebrenger kunnen verhalen. Hij doet dit naar aanleiding van lagere rechtspraak en in het licht van het Poot/ABP-arrest.

1 Inleiding

Indien schade is toegebracht aan het vermogen van een personenvennootschap, zijn de vennoten in die personenvennootschap degenen die schade lijden. De vennoten lijden allereerst schade aan hun gemeenschappelijke vennootschapsvermogen. Daarnaast lijden de vennoten schade aan hun afzonderlijke privévermogens. Zo nu en dan probeert een vennoot de schade aan het vennootschapsvermogen en/of zijn privévermogen rechtstreeks op de schadetoebrenger te verhalen. Het is de vraag of dat kan.

In een aan de Rechtbank Groningen voorgelegde zaak vorderden enkele commanditaire vennoten in eigen naam vergoeding van de schade die de beherend vennoot aan het vennootschapsvermogen had toegebracht. De rechtbank staat dit toe. De schade van de commanditaire vennoten valt volgens de rechtbank namelijk samen met de schade van de commanditaire vennootschap.[1] In een zaak voor het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stelde de beherend vennoot enkele commanditaire vennoten rechtstreeks aansprakelijk voor de waardevermindering van zijn participaties in de commanditaire vennootschap. Die schade aan zijn privévermogen was ontstaan doordat de aangesproken commanditaire vennoten schade aan het vennootschapsvermogen hadden toegebracht. Het hof wijst de vordering van de beherend vennoot af. De leer van de afgeleide schade zou aan toewijzing van die vordering in de weg staan.[2] 

Ik onderzoek in paragraaf 2 of de Rechtbank Groningen de commanditaire vennoten terecht in staat heeft gesteld de beherend vennoot rechtstreeks aan te spreken voor de schade aan het vennootschapsvermogen. In paragraaf 3 analyseer ik waarom schade aan het vennootschapsvermogen afgeleide schade aan de afzonderlijke privévermogens tot gevolg heeft. Daarop volgend vraag ik mij af of het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de in het Poot/ABP-arrest neergelegde regel terecht op de commanditaire vennootschap heeft toegepast. Ik sluit in paragraaf 4 af met een conclusie.

2 Individuele vennoten kunnen rechtstreekse schade nooit rechtstreeks vorderen

2.1 Vennoten zijn gezamenlijk rechthebbende van het vennootschapsvermogen

Een personenvennootschap is een bijzondere, op samenwerking gerichte overeenkomst tussen personen. Van die overeenkomst bestaan drie varianten: de maatschap, de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap. De maatschap wordt beheerst door de wettelijke bepalingen die zijn opgenomen in titel 9 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek (BW). De wettelijke regeling voor de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap is verspreid over voornoemde titel uit het BW en titel 3 van het Wetboek van Koophandel (WvK). De vennoten in een personenvennootschap beschikken over een gemeenschappelijk vermogen. Dat vermogen bestaat uit actief en passief. Dit geheel duid ik aan met ‘afgescheiden vermogen’. Met ‘vennootschapsvermogen’ refereer ik slechts aan het actief.

In de Groningse zaak heeft de beherend vennoot heimelijk actief aan het afgescheiden vermogen onttrokken. De rechthebbende van dit vermogen lijdt rechtstreekse schade. Maar wie is dat? De Rechtbank Groningen oordeelt dat een personenvennootschap geen zelfstandige drager van rechten en verplichtingen is. Het vennootschapsvermogen komt toe aan de samenwerkende vennoten.[3] De vennoten lijden volgens de rechtbank rechtstreekse schade aan hun vennootschapsvermogen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden komt daarentegen tot de conclusie dat een personenvennootschap een van de vennoten te onderscheiden rechtssubject is.[4] De personenvennootschap lijdt volgens het hof rechtstreekse schade aan haar vennootschapsvermogen.

Dit oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is naar mijn mening in strijd met geldend recht. Rechtssubjecten zijn subjecten aan wie het objectieve recht de kwaliteit toekent zelfstandig drager van rechten en verplichtingen te kunnen zijn.[5] Het objectieve recht kent die eigenschap toe aan natuurlijke personen en rechtspersonen. In privaatrechtelijke context ontlenen natuurlijke personen en rechtspersonen hun rechtssubjectiviteit aan artikel 1:1 respectievelijk artikel 2:5 BW.[6] 

Personen nemen niet alleen als individu, maar ook als collectief deel aan het rechtsverkeer. Een personenvennootschap is zo’n collectief. Het rechtsverkeer wordt echter grotendeels beheerst door privaatrechtelijke regels die op individuen zijn afgestemd.[7] Daarom zijn oplossingen verzonnen om groepen aan het rechtsverkeer te kunnen laten deelnemen. Het concept ‘rechtspersoon’ is een van die oplossingen.[8] Dat concept stelt een collectief in staat om onafhankelijk van zijn leden – als zelfstandig persoon – aan het rechtsverkeer deel te nemen. Niet elke groep van samenwerkende personen is een rechtspersoon. Dit geldt slechts voor groepen die in het recht als persoon worden erkend.[9] Daar zit wat betreft personenvennootschappen het probleem. De wetgever heeft geen van de personenvennootschappen tot op heden rechtspersoonlijkheid toegekend. De Hoge Raad wijst rechtspersoonlijkheid van personenvennootschappen expliciet af.[10] Personenvennootschappen bezitten daarom (vooralsnog) geen rechtspersoonlijkheid.[11] 

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onderkent dit.[12] Desondanks kwalificeert het de commanditaire vennootschap als zelfstandig rechtssubject. Maar bij gebreke van rechtspersoonlijkheid kan een personenvennootschap geen zelfstandig drager van rechten en verplichtingen zijn. Het vennootschapsvermogen is hooguit in metaforische zin ‘van’ de personenvennootschap.[13] In juridische zin is het vennootschapsvermogen van de vennoten gezamenlijk. In de woorden van de Werkgroep Personenvennootschappen:

‘Wegens het ontbreken van rechtspersoonlijkheid worden de verhoudingen toegerekend aan de gezamenlijk handelende vennoten.’[14]

Iets anders is dat er goede argumenten zijn om personenvennootschappen rechtspersoonlijkheid toe te kennen. Onder de schrijvers die zich bezighouden met personenvennootschappen bestaat een breed gedeelde behoefte om personenvennootschappen efficiënter aan het rechtsverkeer te laten deelnemen.[15] Dat rechtvaardigt toekenning van rechtspersoonlijkheid aan (openbare) personenvennootschappen.[16] Daar komt bij dat personenvennootschappen – nota bene volgens de Hoge Raad zélf – in het maatschappelijk verkeer al worden gezien als van de vennoten te onderscheiden rechtssubject.[17] Desondanks weigert de Hoge Raad personenvennootschappen als rechtspersoon te erkennen. Hij toont zich slechts bereid personenvennootschappen in bepaalde omstandigheden te behandelen alsof zij rechtssubject zijn.[18] 

Blanco Fernández leidt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad af dat personenvennootschappen zelfstandig drager van rechten en verplichtingen kunnen zijn zonder (rechts)persoonlijkheid te bezitten.[19] Maar persoonlijkheid gaat, zoals vermeld, aan rechtssubjectiviteit vooraf. De ‘rechtspersoon’ is juist in het leven geroepen om een collectief in staat te stellen zelfstandig aan het rechtsverkeer deel te nemen. De wetgever heeft op het punt gestaan (openbare) personenvennootschappen rechtspersoonlijkheid toe te kennen. Maar de ontwerptitel 7.13 BW is in 2011 ingetrokken. De Werkgroep Personenvennootschappen heeft de wetgever in september 2016 opnieuw verzocht personenvennootschappen als rechtspersoon te erkennen. Het is momenteel onduidelijk of de wetgever de handschoen deze keer wel oppakt. Tot die tijd is geen andere conclusie mogelijk dan dat het vennootschapsvermogen van de gezamenlijke vennoten is, met ‘alle moeizame dogmatische onderscheidingen’[20] van dien.

2.2 Individuele vennoten houden ieder afzonderlijk een onverdeeld aandeel in het gemeenschappelijke vennootschapsvermogen

Die moeizame dogmatische onderscheidingen komen voort uit het feit dat ons privaatrecht grotendeels op individuen is toegesneden. In het goederenrecht, bijvoorbeeld, is het uitgangspunt dat een goed één rechthebbende heeft.[21] Die rechthebbende mag in beginsel naar eigen inzicht gebruik maken van de aan dat goed verbonden bevoegdheden, zoals die van beheer, gebruik, genot en beschikking. Maar de economische realiteit is dat goederen vaak van meerdere personen zijn. Naast het concept ‘rechtspersoon’ is er nog een andere manier om de juridische werkelijkheid met deze economische realiteit in overeenstemming te brengen. Die meerdere personen kunnen hun zelfstandigheid behouden als zij ten aanzien van het gedeelde goed als eenheid optrekken. De wet faciliteert dit met de rechtsfiguur ‘gemeenschap’ (titel 3.7 BW). Een in gemeenschap gehouden goed heeft meerdere rechthebbenden, ook wel ‘deelgenoten’ genoemd. Die deelgenoten kunnen als eenheid gebruik maken van de bevoegdheden die zijn verbonden aan het gemeenschappelijke goed.

Om als eenheid te kunnen optrekken hebben deelgenoten zich aan afspraken en regels te houden. De positie van een deelgenoot vindt haar weerslag in het onverdeeld aandeel dat hij in het gemeenschappelijke goed heeft. Een onverdeeld aandeel is een zelfstandig vermogensrecht, en dus een zelfstandig goed (art. 3:6 jo. art. 3:1 BW).[22] Zo’n onverdeeld aandeel stelt een individuele deelgenoot niet in staat zelfstandig gebruik te maken van de bevoegdheden die zijn verbonden aan het gemeenschappelijke goed. De deelgenoten delen die bevoegdheden. Het onverdeeld aandeel verschilt daarin van een beperkt recht. In dat geval zijn de aan een goed verbonden bevoegdheden verdeeld.[23] Een deelgenoot kan een met hem gedeelde bevoegdheid slechts samen met de andere deelgenoten uitoefenen. Daarentegen kan een beperkt gerechtigde de hem toebedeelde bevoegdheid zelfstandig uitoefenen.[24] Onverdeelde aandelen stellen deelgenoten in staat gezamenlijk gebruik te maken van de bevoegdheden die zijn verbonden aan het gemeenschappelijke goed. Onverdeelde aandelen kunnen daarom niet los worden gezien van het gemeenschappelijke goed waarvan zij onderdeel uitmaken.[25] 

De algemene regels voor deelgenoten in gemeenschappen zijn neergelegd in afdeling 3.7.1 BW. Voor deelgenoten in gemeenschappen als genoemd in artikel 3:189 BW zijn op diverse plekken in de wet bijzondere regels opgenomen.[26] Die regels zijn afgestemd op de bijzondere doelen waarvoor die gemeenschappen kunnen worden gevormd.[27] De vennootschappelijke gemeenschap is zo’n aan bijzondere regels onderworpen gemeenschap. Het doel waarvoor vennoten goederen in gemeenschap bijeenbrengen, is het behalen van gezamenlijk voordeel ((art. 1 jo. art. 15 WvK jo.) art. 7A:1655 BW). De relevante regels kunnen worden gevonden in titel 9 van Boek 7A BW, titel 3 WvK en de jurisprudentie.

De algemene regel is dat deelgenoten vrijelijk over hun onverdeelde aandelen in gemeenschapsgoederen kunnen beschikken (art. 3:175 lid 1 BW). Schuldeisers van deelgenoten kunnen die onverdeelde aandelen uitwinnen (art. 3:276 jo. art. 3:175 lid 3 BW). Maar vennoten brengen goederen juist in gemeenschap bijeen om die ten gunste van hen gezamenlijk aan te wenden. Dit gezamenlijke doel komt in gevaar als individuele vennoten of hun privéschuldeisers verdeling van gemeenschapsgoederen kunnen vorderen om de daarin gehouden onverdeelde aandelen ten gunste van zichzelf te gelde te maken. Daarom heeft de Hoge Raad voor vennootschappelijke gemeenschappen een bijzondere regel ontwikkeld: in afwijking van de algemene regel kunnen individuele vennoten niet vrijelijk over hun onverdeelde aandelen in gemeenschapsgoederen beschikken en kunnen privéschuldeisers ten aanzien van die onverdeelde aandelen geen verhaalsmaatregelen treffen.[28] Onverdeelde aandelen in vennootschappelijke gemeenschapsgoederen vallen daarom buiten het bereik van de individuele vennoten en hun privéschuldeisers, ook al behoren die onverdeelde aandelen tot de vermogens van die vennoten.

Ook de gemeenschapsgoederen vallen buiten het bereik van de individuele vennoten en hun privéschuldeisers. Als zodanig maken gemeenschappelijke goederen namelijk geen onderdeel uit van de vermogens van de vennoten. In de afzonderlijke vermogens van de individuele vennoten bevinden zich slechts de in die gemeenschapsgoederen gehouden onverdeelde aandelen. Vennoten kunnen wel in gezamenlijk verband over de in gemeenschap gehouden goederen beschikken. In het verlengde daarvan kunnen gemeenschapsschuldeisers zich op gemeenschapsgoederen verhalen.[29] Zij hoeven de daarin gehouden onverdeelde aandelen niet afzonderlijk uit te winnen.[30] Omdat gemeenschapsgoederen slechts tot verhaal van gemeenschapsschulden strekken, wordt het geheel van gemeenschapsgoederen en gemeenschapsschulden wel aangeduid met ‘afgescheiden vermogen’.[31] 

Als de vennootschapsovereenkomst wordt ontbonden, komt de vennootschappelijke samenwerking ten einde. Het afgescheiden vermogen moet dan worden vereffend. De afdelingen 3.7.1 en 3.7.2 BW, eventueel aangevuld met de artikelen 30 tot en met 34 WvK, beheersen die vereffening. Dit volgt uit artikel 3:189 lid 2 BW. Gemeenschapsschuldeisers nemen ook na ontbinding een exclusieve verhaalspositie in ten aanzien van de gemeenschapsgoederen.[32] Een eventueel overschot wordt volgens de gemaakte afspraken onder de vennoten verdeeld en gaat onderdeel uitmaken van hun privévermogens. In geval van een tekort kan het faillissement van de personenvennootschap worden aangevraagd. Het faillissementsbeslag treft dan de goederen die in het afgescheiden vermogen vallen. De curator wordt geacht de opbrengst van die goederen onder de gemeenschapsschuldeisers te verdelen.

Gemeenschapsschuldeisers kunnen hun vorderingen ook geheel of gedeeltelijk op privégoederen van de vennoten verhalen.[33] Het is daarom niet uitgesloten dat gemeenschapsschuldeisers alsnog worden betaald. Vertoont het privévermogen van de aangesproken vennoot een tekort, dan kan die vennoot in privé failliet worden verklaard. Het faillissementsbeslag omvat dan alle goederen die onderdeel uitmaken van zijn vermogen, behalve zijn onverdeelde aandelen in de afzonderlijke gemeenschapsgoederen. Die behoren als samenstellende delen van die gemeenschapsgoederen tot het afgescheiden vermogen. Kortom: vennoten kunnen zowel gezamenlijk (q.q.) als individueel (pro se) failleren. Het gezamenlijke faillissement kán een privéfaillissement tot gevolg hebben. Noodzakelijk is dat echter niet.[34]

2.3 Individuele vennoten kunnen schade aan hun onverdeelde aandelen nooit rechtstreeks vorderen

In de zaak voor de Rechtbank Groningen had de beherend vennoot de bankrekening van de commanditaire vennootschap geplunderd. De gemeenschappelijke vordering op de bank uit hoofde van een positief banksaldo was waardeloos geworden. Omdat de vereisten voor aansprakelijkheid waren vervuld, was voor die schade een schadevergoedingsvordering in de plaats getreden. De commanditaire vennoten procedeerden in eigen naam. Zij vorderden daarom geen volledige betaling van die schadevergoedingsvordering. Zij vorderden slechts betaling voor zover die gemeenschappelijke vordering op grond van hun onverdeelde aandelen aan hen toekwam. De rechtbank staat dit toe, en wel omdat:

‘de schade van de gezamenlijke vennoten geheel samenvalt met de schade van de C.V., zodat ieder der commanditaire vennoten zijn aandeel in de schade kan vorderen’.[35]

De Rechtbank Groningen stelt de commanditaire vennoten dus in staat de onverdeelde aandelen die zij in de gemeenschappelijke schadevergoedingsvordering hielden, te gelde te maken. Ik heb sterke twijfels bij dit oordeel. De volgende belangen dienen in dit verband te worden afgewogen. Aan de ene kant de belangen van de individuele vennoten en hun privéschuldeisers. De individuele vennoten wensen vrijelijk over hun goederen te kunnen beschikken en hun privéschuldeisers zouden zich op al die goederen willen kunnen verhalen. Aan de andere kant de belangen van de gezamenlijke vennoten en hun gezamenlijke schuldeisers. De vennoten hebben er in hun gezamenlijke verband belang bij dat gemeenschapsgoederen slechts ten gunste van het collectief kunnen worden aangewend. De gemeenschapsschuldeisers zouden graag zien dat gemeenschapsgoederen in het bijzonder hun tot verhaal strekken.[36] 

De Hoge Raad laat deze belangenafweging in het nadeel van de individuele vennoten en hun privéschuldeisers uitvallen. Hij heeft namelijk de regel ontwikkeld dat onverdeelde aandelen in gemeenschapsgoederen buiten het bereik van de individuele vennoten en hun privéschuldeisers liggen. Sterker nog, zelfs als de vennoten niet meer gezamenlijk optrekken en geen gezamenlijke schuldeisers meer hebben, delven de belangen van de individuele vennoten en hun privéschuldeisers het onderspit. Dat was bijvoorbeeld het geval in de casus die aan het Van den Broeke/Van der Linden-arrest ten grondslag ligt.[37] Daarin vormden de gebrouilleerde procespartijen gezamenlijk een al jaren niet meer actieve vennootschap onder firma. Die vennootschap onder firma had een vordering op Van der Linden. Dat wil zeggen: Van den Broeke en Van der Linden hadden q.q. gezamenlijk een vordering op Van der Linden pro se. Daar stond tegenover dat de vennootschap onder firma een schuld aan Van der Linden had. Van den Broeke voorzag vanwege het gerezen conflict problemen met de inning van de gezamenlijke vordering op Van der Linden. Daarom wenste Van den Broeke de gemeenschappelijke vordering op Van der Linden te verrekenen met de gemeenschapsschuld aan Van der Linden, voor zover die vordering op grond van het daarin gehouden onverdeelde aandeel aan hem toekwam.

Advocaat-generaal Vranken staat dit in zijn conclusie voor dit arrest toe. De belangen van de gezamenlijke vennoten en hun gezamenlijke schuldeisers kunnen geen gewicht meer in de schaal leggen. De vennootschappelijke samenwerking is geëindigd en van gemeenschapsschulden is niet gebleken. De belangenafweging dient daarom in het voordeel van Van den Broeke uit te vallen. Vranken schrijft:

‘Los van al deze juridische argumenten vind ik het ook praktisch als Van den Broeke in een geval als het onderhavige Van der Linden rechtstreeks kan aanspreken, beter: vind ik het uiterst onpraktisch en eigenlijk een zinloze omweg wanneer Van den Broeke (alsnog) gedwongen wordt zijn vordering in te kleden als namens de vennootschap ingesteld. De vennootschapsbelangen worden hiermee niet gediend, Van der Linden heeft er geen rechtens te respecteren voor- of nadeel van en vennootschapscrediteuren die in hun verhaalsmogelijkheden benadeeld zouden kunnen worden, zijn er niet, althans is daarvan niet gebleken.’[38]

Maar de Hoge Raad staat Van den Broeke niet toe zijn onverdeeld aandeel in de gemeenschappelijke schadevergoedingsvordering door middel van verrekening te gelde te maken. Hij houdt strikt vast aan de regel dat onverdeelde aandelen in gemeenschapsgoederen ‘gebonden’ zijn en gemeenschapsgoederen (als gevolg daarvan) exclusief gemeenschapsschuldeisers tot verhaal strekken.[39] De hierboven beschreven belangenafweging lijkt te zijn gestold in een regel waarop geen uitzonderingen bestaan. Daarom kan vrij algemeen worden gesteld dat vennoten hun onverdeelde aandelen in gemeenschappelijke vorderingen nooit in eigen naam kunnen innen, overdragen, bezwaren, verrekenen of kwijtschelden.[40] De Rechtbank Groningen heeft de commanditaire vennoten daarom naar mijn mening ten onrechte toegestaan rechtstreeks betaling van hun ‘aandeel’ in de schade te vorderen.

2.4 Schade aan onverdeelde aandelen is rechtstreekse schade

Het Van den Broeke/Van der Linden-arrest brengt volgens Timmerman met zich dat individuele vennoten schade aan (hun onverdeelde aandelen in) het vennootschapsvermogen niet rechtstreeks op de schadetoebrenger kunnen verhalen.[41] Die conclusie onderschrijf ik. Maar ik volg Timmerman niet in zijn stelling dat die schade aan onverdeelde aandelen afgeleide schade is. Afgeleide schade is, kort gezegd, schade die via een ander vermogen ontstaat.[42] Schade aan onverdeelde aandelen ontstaat niet via een ander vermogen. Schade aan het gezamenlijke vennootschapsvermogen is, afhankelijk van het perspectief, schade aan één of meer gemeenschapsgoederen of schade aan de daarin gehouden onverdeelde aandelen.[43] Vanuit het perspectief van de gezamenlijke vennoten betreft het schade aan één of meer gemeenschapsgoederen. Vanuit het perspectief van de individuele vennoten betreft het schade aan onverdeelde aandelen in die gemeenschapsgoederen. Rechtstreekse schade aan het gemeenschappelijke vennootschapsvermogen is dus rechtstreekse schade aan de daarin gehouden onverdeelde aandelen. Het geheel van gemeenschapsgoederen en gemeenschapsschulden wordt aangeduid met ‘afgescheiden vermogen’. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat alléén gemeenschapsschulden op gemeenschapsgoederen kunnen worden verhaald. Maar dit maakt niet dat de in die gemeenschapsgoederen gehouden onverdeelde aandelen in een ander vermogen vallen dan die gemeenschapsgoederen als zodanig. Gemeenschapsgoederen zijn in de vorm van onverdeelde aandelen over de afzonderlijke vermogens van de individuele vennoten verspreid.

Onverdeelde aandelen in gemeenschapsgoederen dienen te worden onderscheiden van aandelen in kapitaalvennootschappen. Onverdeelde aandelen brengen tot uitdrukking dat vennoten in juridisch opzicht mederechthebbende van het vennootschapsvermogen zijn. Onverdeelde aandelen zijn onlosmakelijk verbonden met het gemeenschapsgoed waarvan zij onderdeel uitmaken. Maar de in gemeenschapsgoederen gehouden onverdeelde aandelen reflecteren niet de mate waarin de onderscheiden vennoten aan de financiering van die goederen hebben bijgedragen. Sterker nog, de juridische en economische belangen die vennoten in de afzonderlijke gemeenschapsgoederen hebben, lopen meestal niet gelijk op.[44] Vennoten houden in beginsel gelijke onverdeelde aandelen in de afzonderlijke gemeenschapsgoederen (art. 3:166 lid 2 BW). Hun inbreng kan echter sterk verschillen. Hiermee wordt bij liquidatie van het gemeenschappelijke vennootschapsvermogen rekening gehouden. Het doel van vennootschappelijke samenwerking is in beginsel namelijk niet om in economisch opzicht een vermogensverschuiving tussen vennoten te bewerkstelligen.[45] 

Aandelen in kapitaalvennootschappen brengen daarentegen tot uitdrukking in welke mate aandeelhouders aan de financiering van het vennootschapsvermogen hebben bijgedragen. Dat vermogen is van de kapitaalvennootschap, niet van haar aandeelhouders. De kapitaalvennootschap kan als van haar aandeelhouders te onderscheiden rechtssubject eigen vermogensbestanddelen hebben. De kapitaalvennootschap financiert haar vermogen onder meer met kapitaal dat haar aandeelhouders bijeen hebben gebracht. De tot het vermogen van de aandeelhouder behorende aandelen reflecteren de mate waarin de onderscheiden aandeelhouders aan dat kapitaal hebben bijgedragen. Aandeelhouders investeren met het oog op het behalen van rendement. Aandelen geven daarom recht op een gedeelte van de winst (art. 2:105/216 BW). De waarde van aandelen van aandeelhouders hangt om die reden nauw samen met de toestand waarin het vermogen van de kapitaalvennootschap verkeert.[46]

3 Individuele vennoten kunnen afgeleide schade in beginsel niet rechtstreeks vorderen

3.1 Individuele vennoten lijden afgeleide schade aan hun participaties

Aandelen in kapitaalvennootschappen vertonen gelijkenissen met participaties in personenvennootschappen. ‘Participatie’ is een veelgebruikte (contractuele) term om aan te geven in welke mate een individuele vennoot in het vermogen van de personenvennootschap heeft geïnvesteerd. Het aantal door een individuele vennoot gehouden participaties bepaalt welk gedeelte van de winst aan hem toekomt ((art. 1 jo. art. 15 WvK jo.) art. 7A:1670 BW).[47] Participaties behoren tot de privévermogens van de individuele vennoten. De individuele vennoten hebben pro se een vordering tot betaling van een gedeelte van de winst op de gezamenlijke vennoten q.q.[48] Participaties verminderen in waarde als het afgescheiden vermogen schade is toegebracht. Die schade aan participaties is afgeleide schade. Zij ontstaat namelijk via een ander vermogen dan het vermogen waarvan de participaties onderdeel uitmaken. Participaties lijken daarin op aandelen in kapitaalvennootschappen en verschillen daarin van onverdeelde aandelen in gemeenschapsgoederen.

In de zaak voor het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vorderde de beherend vennoot onder meer rechtstreekse vergoeding van de waardevermindering van zijn participaties in de commanditaire vennootschap. Het hof overweegt onder verwijzing naar het Poot/ABP-arrest dat afgeleide schade niet voor rechtstreekse vergoeding in aanmerking komt en wijst de vordering van de beherend vennoot af.[49] Ik onderzoek in de volgende paragrafen of het hof dit op kapitaalvennootschappen toegesneden arrest terecht op de commanditaire vennootschap heeft toegepast.

3.2 Poot/ABP-regel steunt op twee pijlers: relativiteitsleer en belangenafweging

De Poot/ABP-regel houdt in dat een aandeelhouder de waardevermindering van zijn aandelen niet rechtstreeks op de schadetoebrenger kan verhalen als die het gevolg is van een normschending ten opzichte van de kapitaalvennootschap. Ik herhaal de feiten in het licht waarvan de Hoge Raad deze regel heeft geformuleerd. Die zijn van belang voor de beantwoording van de vraag of ook vennoten aan de Poot/ABP-regel kunnen worden onderworpen. Poot B.V. failleerde, met als gevolg dat de heer Poot zijn aandelenbelang waardeloos zag worden. De liquiditeitsproblemen van Poot B.V. zouden zijn veroorzaakt doordat het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) contractbreuk zou hebben gepleegd. De curator in het faillissement van Poot B.V. besloot het ABP niet aansprakelijk te stellen. De heer Poot deed dat wel. Hij wilde dat het ABP de waardevermindering van zijn aandelen zou vergoeden.

De Hoge Raad oordeelt dat ten opzichte van de heer Poot geen norm is geschonden en dat de heer Poot daarom geen grond heeft om het ABP aansprakelijk te houden. De heer Poot valt buiten het beschermingsbereik van de geschonden contractuele norm. Poot B.V. is de partij onder de met het ABP gesloten overeenkomst. De overtreden contractuele norm strekt daarom slechts tot bescherming van het belang van Poot B.V. Deze kapitaalvennootschap is als rechtspersoon namelijk een van de heer Poot te onderscheiden rechtssubject.[50] Ten opzichte van de heer Poot is ook geen andere norm geschonden. De contractbreuk jegens Poot B.V. had wellicht als voorzienbaar gevolg dat de in Poot B.V. gehouden aandelen waardeloos zouden worden. Maar dat bracht niet met zich dat het ABP zich het belang van aandeelhouder de heer Poot in het bijzonder moest aantrekken. De contractbreuk jegens Poot B.V. is volgens de Hoge Raad niet onrechtmatig ten opzichte van de heer Poot.[51] 

Een normschending jegens een kapitaalvennootschap houdt niet snel ook een normschending ten opzichte van haar aandeelhouder(s) in.[52] Toch is dit niet geheel ondenkbaar.[53] In zijn conclusie voor het Poot/ABP-arrest geeft advocaat-generaal Hartkamp het voorbeeld van een persoon die ten opzichte van de kapitaalvennootschap normoverschrijdend handelt met het vooropgezette doel om de aandeelhouder in privé te treffen. Hartkamp betoogt dat dit handelen ook ten opzichte van die aandeelhouder normoverschrijdend is.[54] De kapitaalvennootschap en de aandeelhouder hebben dan twee samenlopende schadevergoedingsvorderingen: één ter vergoeding van rechtstreekse schade en één ter vergoeding van daarvan afgeleide schade.[55] 

Het gevolg is dat de aandeelhouder zijn via het vennootschapsvermogen ontstane schade buiten dat vermogen om kan afwikkelen. De vraag is of dat niet te veel afbreuk doet aan de belangen van de kapitaalvennootschap, de bij haar betrokken personen en de schadetoebrenger. De vennootschap zal zélf willen bepalen of de schadetoebrenger aangesproken dient te worden. De bij de vennootschap betrokken personen wier schade via het vennootschapsvermogen wordt afgewikkeld (zoals schuldeisers), hebben er belang bij dat andere betrokken personen de tussen hen geldende rangorde niet kunnen omzeilen. Het is in het belang van de schadetoebrenger dat hij de door de individuele aandeelhouder geleden schade niet tweemaal – dat wil zeggen indirect via het vennootschapsvermogen en rechtstreeks – hoeft te vergoeden en niet hoeft te vrezen voor een oncontroleerbare stroom aan procedures over indirecte gevolgen van zijn handelen.[56] 

Dit geval van (subjectieve) samenloop moet evenals ieder ander geval van samenloop worden beoordeeld aan de hand van een afweging van de betrokken belangen.[57] Ik leid uit het Poot/ABP-arrest af dat de Hoge Raad tot uitgangspunt neemt dat via het vennootschapsvermogen ontstane schade ook via dat vermogen moet worden afgewikkeld. Hij laat de belangenafweging in beginsel in het nadeel van de aandeelhouder uitvallen. De overige betrokken belangen wegen in principe zwaarder dan het belang van de aandeelhouder om rechtstreekse vergoeding van afgeleide schade te kunnen vorderen. Bij die afweging speelt voor de Hoge Raad ook een rol dat aandeelhouders invloed kunnen uitoefenen op de beslissing van de kapitaalvennootschap om vergoeding van de schade aan haar vermogen te vorderen. Hij overweegt:

‘Het ligt op de weg van de vennootschap om ter bescherming van de belangen van allen die bij het in stand houden van haar vermogen belang hebben, van de derde schadevergoeding te vorderen; slaagt zij daarin, dan moet ook de met die schade corresponderende waardevermindering van de aandelen geacht worden ongedaan te zijn gemaakt. Zou de vennootschap het vorderen van schadevergoeding nalaten, dan behoeven de belanghebbenden daarin niet te berusten; het Nederlandse rechtsstelsel biedt dan voldoende mogelijkheden om het bestuur van de vennootschap tot het alsnog instellen van de vordering te nopen.’[58]

Kortom, de Poot/ABP-regel steunt op twee zelfstandige pijlers: de relativiteitsleer en een belangenafweging.[59] Als ook ten opzichte van de aandeelhouder een norm is geschonden, vervalt de eerste pijler en komt de tweede pijler in beeld. Zolang de belangenafweging in het nadeel van de aandeelhouder uitvalt, gaat de Poot/ABP-regel op. Maar deze regel vindt geen toepassing als de belangen van de kapitaalvennootschap, de bij haar betrokkenen en/of de schadetoebrenger in een concreet geval onvoldoende gewicht in de schaal leggen.[60] De aandeelhouder zou zijn afgeleide schade dan rechtstreeks op de schadetoebrenger moeten kunnen verhalen.

3.3 Individuele vennoten kunnen afgeleide schade aan hun participaties in beginsel niet rechtstreeks vorderen

In de aan het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voorgelegde zaak waren de participaties van de beherend vennoot in waarde verminderd doordat enkele commanditaire vennoten schade aan het vennootschapsvermogen hadden toegebracht. De beherend vennoot probeerde die afgeleide schade rechtstreeks op de commanditaire vennoten te verhalen. Die poging mislukt. Weliswaar hebben de commanditaire vennoten ten opzichte van de commanditaire vennootschap mogelijk een norm overtreden, maar de commanditaire vennootschap is volgens het hof een van haar vennoten te onderscheiden rechtssubject. De beherend vennoot kan daarom geen bescherming ontlenen aan die mogelijk geschonden norm.[61] De schadevergoedingsvordering van de heer Poot is in het Poot/ABP-arrest om dezelfde reden afgewezen.

Maar de commanditaire vennootschap is anders dan een kapitaalvennootschap geen zelfstandig rechtssubject. Ten opzichte van de commanditaire vennootschap te respecteren normen richten zich daarom mede tot de beherend vennoot. Desalniettemin valt de beherend vennoot buiten het beschermingsbereik van de mogelijk geschonden norm. Een benadeelde kan bescherming aan een norm ontlenen, indien die norm de strekking heeft de benadeelde in zijn geschonden belang te beschermen.[62] Om schade met beroep op een overtreden norm te kunnen verhalen, dient die geschonden norm de benadeelde te beschermen tegen de schade zoals hij die heeft geleden (art. 6:163 BW).[63] Een norm die ten opzichte van de commanditaire vennootschap (de vennoten in hun gezamenlijke verband) is overtreden, beoogt de beherend vennoot niet te beschermen tegen afgeleide schade. Zo’n norm strekt niet tot bescherming van de afzonderlijke privébelangen van de individuele vennoten, maar tot bescherming van het gemeenschappelijke belang van de gezamenlijke vennoten. De beherend vennoot kan de schadeveroorzakende vennoten daarom niet op grond van zo’n norm rechtstreeks aansprakelijk houden voor afgeleide schade. Het relativiteitsvereiste staat daaraan in de weg. Maar een vermeend verschil in rechtssubjectiviteit tussen de personenvennootschap en haar vennoten is daarvan niet de reden.

Een ten opzichte van de personenvennootschap te respecteren norm dient te worden onderscheiden van een (specifiek) ten opzichte van de individuele vennoten in acht te nemen norm. Zulke normen bieden mogelijk wél bescherming aan de afzonderlijke privébelangen van de individuele vennoten. Dit dient in ieder concreet geval afzonderlijk te worden vastgesteld.[64] In de zaak voor het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betoogde de beherend vennoot dat de commanditaire vennoten ook ten opzichte van hem in privé normoverschrijdend hadden gehandeld. De aangesproken vennoten zouden medevennoten ten aanzien van het functioneren van de beherend vennoot hebben misleid met als doel hem uit de commanditaire vennootschap te stoten. Dit is volgens het hof weliswaar potentieel onrechtmatig jegens de beherend vennoot, maar de beherend vennoot heeft zijn stellingen in dit verband onvoldoende onderbouwd.[65] 

Als de beherend vennoot dat naar behoren had gedaan, zou hij een schadevergoedingsvordering op de aangesproken vennoten hebben gehad. Maar dat betekent niet zonder meer dat hij dan met succes rechtstreekse vergoeding van afgeleide schade had kunnen vorderen. De tweede pijler onder de Poot/ABP-regel komt dan namelijk in beeld: de belangenafweging. De beherend vennoot kan niet rechtstreeks vergoeding van zijn afgeleide schade vorderen als de overige betrokken belangen zwaarder wegen dan zijn privébelang. De overige betrokken belangen zijn die van de personenvennootschap, de bij haar betrokken personen en de schadetoebrenger. Deze belangenafweging valt bij kapitaalvennootschappen in beginsel in het nadeel van de aandeelhouder uit. Het lijdt wat mij betreft weinig twijfel dat dit uitgangspunt ook voor personenvennootschappen geldt. De af te wegen belangen zijn vergelijkbaar. Daar komt voor (beherend) vennoten in een vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap bij dat zij behoudens andersluidende afspraak individueel bevoegd zijn in rechte namens de personenvennootschap een schadevergoedingsvordering in te stellen ((art. 19 lid 2 jo.) art. 17 lid 1 WvK). (Beherend) vennoten kunnen dus niet alleen invloed uitoefenen op de beslissing om via het vennootschapsvermogen ontstane schade via dat vermogen ongedaan te maken. Zij hebben die beslissing in principe zelfs in eigen hand.

In de aan het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voorgelegde zaak kon de via het vennootschapsvermogen ontstane schade niet meer via dat vermogen worden hersteld. De commanditaire vennootschap had afstand gedaan van haar schadevergoedingsvordering op de schadeveroorzakende vennoten. Deze omstandigheid is van groot belang bij de te maken belangenafweging.[66] De belangen van de personenvennootschap, de bij haar betrokken personen en de schadetoebrenger verliezen sterk aan gewicht als de via het vennootschapsvermogen ontstane schade niet meer via dat vermogen kan worden afgewikkeld. Schuldeisers hoeven niet te vrezen dat de vennoot bij hen voorkruipt. Schadetoebrengers kunnen niet meer tweemaal voor dezelfde schade worden aangesproken. Daar komt bij dat de beherend vennoot de aangesproken vennoten in de zaak voor het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van zeer verwijtbaar gedrag betichtte (uitstoting). Dit zou het gewicht van hun belang nog verder hebben doen dalen. Voorts bevond de commanditaire vennootschap zich in staat van ontbinding. Haar belang kon daarom nauwelijks nog gewicht in de schaal leggen. Het lijkt mij in het licht van deze omstandigheden op zijn minst verdedigbaar dat de belangenafweging in het voordeel van de beherend vennoot had moeten uitvallen. De beherend vennoot had zijn afgeleide schade rechtstreeks op de schadeveroorzakende vennoten kunnen verhalen – als hij zijn stellingen beter had onderbouwd.

4 Conclusie

Indien schade is toegebracht aan het vermogen van een personenvennootschap, lijden de vennoten rechtstreekse schade aan hun daarin gehouden onverdeelde aandelen en afgeleide schade aan hun participaties. Beide schadeposten dienen via het gemeenschappelijke vennootschapsvermogen ongedaan te worden gemaakt.

Bij rechtstreekse schade aan onverdeelde aandelen bestaat geen ruimte voor een uitzondering op dat uitgangspunt. Ik verwijs naar mijn analyse van het Van den Broeke/Van der Linden-arrest. De Groningse rechtbank had de commanditaire vennoten in de haar voorgelegde zaak daarom niet in staat mogen stellen de schadetoebrenger rechtstreeks voor die schade aan te spreken. In de zaak voor het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd de schadevergoedingsvordering van de beherend vennoot afgewezen. Maar dat lag aan de kwaliteit van zijn stellingen. Bij afgeleide schade aan participaties bestaat namelijk wel ruimte voor een uitzondering. Ik verwijs naar mijn beschouwingen over het Poot/ABP-arrest.

Noten

[1] Rb. Groningen 21 december 2011, ECLI:NL:RBGRO:2011:BV1373, RO 2012/25, r.o. 4.31, ECLI:NL:RBGRO:2011:BV1384, RO 2012/26, r.o. 4.30.

[2] Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7491, JOR 2015/329, r.o. 6.4-6.9. Vergelijkbaar: Rb. Amsterdam 13 augustus 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BF3732, RF 2009/6, r.o. 4.4.3.2.

[3] Rb. Groningen 21 december 2011, ECLI:NL:RBGRO:2011:BV1373, RO 2012/25, r.o. 4.31, ECLI:NL:RBGRO:2011:BV1384, RO 2012/26, r.o. 4.30.

[4] Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7491, JOR 2015/329, r.o. 6.7.

[5] S.C.J.J. Kortmann en N.E.D. Faber onder nr. 5 in hun JOR-noot onder HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251, JOR 2015/181 (VDV Totaalbouw), onder verwijzing naar relevante literatuur.

[6] M.J. Kroeze, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 2. Rechtspersonenrecht. Deel I. De rechtspersoon, Deventer: Kluwer 2015, nr. 55. Overigens is de rechtssubjectiviteit van natuurlijke personen zowel in privaat- als in publiekrechtelijke context meeromvattend dan die van rechtspersonen. Zie Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/57 en 59.

[7] W.H.M. Reehuis & A.H.T. Heisterkamp, A. Pitlo’s Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Kluwer 2012, nr. 406.

[8] Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/19.

[9] Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/42 en 137.

[10] Zie HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, JOR 2013/133 (Biek Holdings), r.o. 3.4.2 en HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251, JOR 2015/181 (VDV Totaalbouw), r.o. 3.4.

[11] Zie anders M.J.G.C. Raaijmakers, VDV Totaalbouw: vof failleert als rechtspersoon maar is dat niet (?), AA 2015, afl. 10, p. 803-804, die betoogt dat de wetgever en de Hoge Raad hierin niet het laatste woord hebben.

[12] Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7491, JOR 2015/329, r.o. 6.7. Vergelijkbaar: Rb. Amsterdam 13 augustus 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BF3732, RF 2009/6, r.o. 4.4.3.2.

[13] Ontleend aan J.M. Blanco Fernández onder nr. 5 in zijn JOR-noot onder Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7491, JOR 2015/329.

[14] M. van Olffen e.a., Modernisering personenvennootschappen. Rapport van de Werkgroep Personenvennootschappen, september 2016, p. 14.

[15] De gesignaleerde inefficiënties zijn: de complexiteit en kosten die gepaard gaan met toe- en uittreding van vennoten, alsmede de overdracht van en beslag en verhaal op goederen van de personenvennootschap. Verder wordt gewezen op de onmogelijkheid voor een maatschap om zelfstandig in rechte op te treden. Zie Rapport Werkgroep Personenvennootschappen 2016, p. 14.

[16] Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/160.

[17] HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251, JOR 2015/181 (VDV Totaalbouw), r.o. 3.4.1.

[18] De Hoge Raad acht het bijv. mogelijk dat een vof zelfstandig in rechte optreedt en als zodanig failliet wordt verklaard. Zie HR 5 november 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB7103, NJ 1977/586 (Moret Gudde Brinkman) resp. HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251, JOR 2015/181 (VDV Totaalbouw).

[19] Blanco Fernández onder nr. 6 in zijn JOR-noot onder Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7491, JOR 2015/329.

[20] Rapport Werkgroep Personenvennootschappen 2016, p. 14.

[21] Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/406.

[22] M.J.A. Van Mourik & F.W.J.M. Schols, Gemeenschap (Monografieën BW, deel B9), Deventer: Kluwer 2015, nr. 13.

[23] Vgl. H. Wammes, De gemeenschap naar komend recht (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 1988, p. 49-50, die in geval van gemeenschap spreekt van de ‘kwantitatieve’ splitsing van een goed en in geval van een beperkt recht van de ‘kwalitatieve’ splitsing.

[24] In geval van het recht van vruchtgebruik bijv. is de vruchtgebruiker zelfstandig bevoegd het bezwaarde goed te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten. Zie art. 3:201 BW.

[25] Aldus ook Wammes 1988, p. 67.

[26] Zie voor een overzicht S. Perrick, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 3. Vermogensrecht algemeen. Deel V. Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2015, nr. 53.

[27] Van Mourik & Schols 2015/6 en 10.

[28] Zie Tervoort, in: GS Personenassociaties, nr. 2.5.2.1 en 3.5.2, B.F. Assink, W.J. Slagters Compendium Ondernemingsrecht (Deel 2), Deventer: Kluwer 2013, p. 1923-1924 en M. van Olffen, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 7. Bijzondere overeenkomsten. Deel VII*. Personenvennootschappen, Deventer: Kluwer 2010, nr. 162.

[29] Gemeenschapsschulden vloeien voort uit rechtshandelingen en bepaalde feitelijke handelingen die aan de gezamenlijke vennoten kunnen worden toegerekend. Zie Van Mourik & Schols 2015/35 en Slagter/Assink 2013 (Deel 2), p. 1962-1996.

[30] De Hoge Raad zoekt in dit verband aansluiting bij art. 3:192 BW, dat strikt genomen pas na ontbinding van de personenvennootschap van toepassing is. Zie Tervoort, in: GS Personenassociaties, nr. 3.5.4 en Slagter/Assink 2013 (Deel 2), p. 1928-1930.

[31] Zie nader Kortmann en Faber onder nr. 3 en 4 in hun JOR-noot onder HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251, JOR 2015/181 (VDV Totaalbouw). Zie tevens Tervoort, in: GS Personenassociaties, nr. 3.5.2 en 3.5.4, Van Mourik & Schols 2015/5, 6, 10 en 32 en Asser/Van Olffen 7-VII* 2010/173.

[32] Ook na ontbinding verzet de aard van de personenvennootschap zich tegen uitwinning van onverdeelde aandelen. Zie Lammers, in: GS Vermogensrecht, art. 3:191, aant. 7.

[33] (Beherend) vennoten zijn in privé hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele gemeenschapsschuld ((art. 19 lid 2 jo.) art. 18 WvK). De privéaansprakelijkheid van maten is beperkt tot een evenredig gedeelte van de gemeenschapsschuld (art. 7A:1679 BW). Commanditaire vennoten zijn niet pro se aansprakelijk voor de gemeenschapsschuld (art. 20 lid 3 WvK).

[34] Met name niet als de aangesproken vennoot over voldoende privémiddelen beschikt. Mede hierom is in HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251, JOR 2015/181 (VDV Totaalbouw) geoordeeld dat het faillissement van de vennootschap onder firma niet zonder meer ook het faillissement van de individuele vennoten inhoudt.

[35] Rb. Groningen 21 december 2011, ECLI:NL:RBGRO:2011:BV1373, RO 2012/25, r.o. 4.31, ECLI:NL:RBGRO:2011:BV1384, RO 2012/26, r.o. 4.30.

[36] Asser/Van Olffen 7-VII* 2010/171.

[37] HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1182, NJ 1994/301 (Van den Broeke/Van der Linden).

[38] J.B.M. Vranken onder 27 in zijn conclusie voor HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1182, NJ 1994/301 (Van den Broeke/Van der Linden).

[39] HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1182, NJ 1994/30l (Van den Broeke/Van der Linden), r.o. 3.6.

[40] J.M.M. Maeijer onder 1 in zijn NJ-noot onder HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1182, NJ 1994/301 (Van den Broeke/Van der Linden).

[41] L. Timmerman, Van afgeleide schade naar afgeleide actie, in: A.F.J.A. Leijten e.a., Conflicten rondom de rechtspersoon (Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 62), Deventer: Kluwer 2000, p. 20.

[42] Zie Slagter/Assink 2013 (Deel 1), p. 250-253 en M.J. Kroeze, Afgeleide schade en afgeleide actie (diss. Utrecht), Deventer: Kluwer 2004, p. 11.

[43] In dit voorbeeld ga ik uit van schade in de vorm van geleden verlies. Schade kan ook bestaan uit gederfde winst. Zie art. 6:96 lid 1 BW.

[44] Chr.M. Stokkermans, Maatschap vs. VOF, in: W.G. Huijgen e.a., De personenvennootschap anno 2015 en haar toekomst (Serie Ars Notarius, deel 159), Deventer: Kluwer 2015, p. 13-14, Slagter/Assink 2013 (Deel 2), p. 1916 en Asser/Van Olffen 7-VII* 2010/155.

[45] Slagter/Assink 2013 (Deel 2), p. 1915, 1920-1921, 2041 en 2045 en Asser/Van Olffen 7-VII* 2010/159.

[46] G. van Solinge en M.P. Nieuwe Weme (m.m.v. G.J.C. Rensen), Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 2. Rechtspersonenrecht. Deel IIa. NV en BV – Oprichting, vermogen en aandelen, Deventer: Kluwer 2012, nr. 288.

[47] Tervoort, in: GS Personenassociaties, aant. 2.5.3.1 en Slagter/Assink 2013 (Deel 2), p. 1952-1961 en 2038-2046.

[48] Stokkermans 2015, p. 13-14.

[49] Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7491, JOR 2015/329, r.o. 6.4-6.13.

[50] HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564, NJ 1995/288 (Poot/ABP), r.o. 3.4.1.

[51] HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564, NJ 1995/288 (Poot/ABP), r.o. 3.4.3.

[52] Slagter/Assink 2013 (Deel 1), p. 256-261. Ik merk voor de volledigheid op dat beide normschendingen op hun eigen merites moeten worden beoordeeld en afzonderlijk moeten worden vastgesteld.

[53] Zie bijv. HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2365, NJ 1997/662 (Kip en Sloetjes/Rabobank). Wel staat ter discussie of de in deze zaak gevorderde schade afgeleide schade is. Zie Slagter/Assink 2013 (Deel 1), p. 254.

[54] A.S. Hartkamp onder 12 sub c in zijn conclusie voor HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564, NJ 1995/288 (Poot/ABP). Zie Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:163 BW, aant. 4.3.4.4 en Slagter/Assink 2013 (Deel 1), p. 256-261, voor andere voorbeelden.

[55] C.H. Sieburgh, Boekbeschouwing: M.J. Kroeze, Afgeleide schade en afgeleide actie, RMThemis 2006, afl. 5, p. 215.

[56] Slagter/Assink 2013 (Deel 1), p. 240-241. Zie hierover nader Kroeze 2004, p. 37 e.v.

[57] F.B. Bakels, Aspecten van samenloop (II, slot), WPNR 2009/6797, p. 365 en 369.

[58] HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564, NJ 1995/288 (Poot/ABP), r.o. 3.4.1.

[59] Aldus ook Slagter/Assink 2013 (Deel 1), p. 265-267, M.J. Kroeze, Rechtspersoonlijkheid en afgeleide schade, in: G. van Solinge e.a., Relativering van rechtspersoonlijkheid (Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 114), Deventer: Kluwer 2012, p. 32-33 en L. Timmerman, Hartkamp en afgeleide schade, in: H.J. van Kooten (red.), Hartkampvariaties, Deventer: Kluwer 2006, p. 134-136. Zie anders B.T.M. van der Wiel, Afgeleide schade en afgeleide actie, MvV 2005, afl. 1, p. 11, die stelt dat de Poot/ABP-regel slechts steunt op de relativiteitsleer.

[60] Zie Slagter/Assink 2013 (Deel 1), p. 265-267 en Timmerman 2006, p. 134-136.

[61] Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7491, JOR 2015/329, r.o. 6.7-6.8.

[62] Zie A.S. Hartkamp en C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel IV. De verbintenis uit de wet, Deventer: Kluwer 2015, nr. 129.

[63] Daarom dient aan de hand van het doel en de strekking van de overtreden norm te worden onderzocht tegen welke personen, welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de overtreden norm beoogt te beschermen. Zie HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281 (Duwbak Linda), r.o. 3.4.1.

[64] Het relativiteitsvereiste speelt bij alle buitencontractuele normen een rol. Ook bij de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. De vraag of de benadeelde en de door hem geleden schade in een concreet geval door een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm worden beschermd, valt niet samen met de (niet noodzakelijk op die benadeelde toegespitste) vraag welke mate van zorgvuldigheid van de schadetoebrenger kon worden verwacht. Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/135.

[65] Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7491, JOR 2015/329, r.o. 6.10.

[66] Aldus ook Slagter/Assink 2013 (Deel 1), p. 266-267, Kroeze 2012, p. 32-33 en Timmerman 2006, p. 134-136. Let op: deze omstandigheid is daarentegen niet van belang bij de beoordeling of het schadeveroorzakende handelen normoverschrijdend is ten opzichte van degene die afgeleide schade lijdt. Zie HR 2 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3671, NJ 2008/5 (Kessock/SFT), r.o. 3.4, onder verwijzing naar HR 15 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2443, NJ 2001/573 (Chipshol), r.o. 3.4.4.