Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

4.731 resultaten

Rechtspraak

OR 2015-0298

Induco B.V.

Het gaat in het onderhavige geval volgens Induco B.V. om benadeling van haar door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van haar vordering op Groenflex Westland B.V., waarvoor I en I c.s. als bestuurders aansprakelijk zijn omdat zij hebben bewerkstelligd of toegelaten dat Groenflex Westland B.V. haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Als maatstaf heeft dan te gelden dat in het algemeen alleen dan mag worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, NJ 2000/295). Het is naar het oordeel van het hof in het maatschappelijk verkeer niet ongebruikelijk dat de naam van een rechtspersoon wordt gewijzigd, zonder dat daarvan aan elke crediteur mededeling wordt gedaan, en dat er daarna naar ‘buiten toe’ niets verandert en dus zaken als vermelding op bankafschriften en logo’s op auto’s gelijk blijven. Een regel inhoudende dat een rechtspersoon een naamsverandering aan betrokkenen moet meedelen, bestaat niet. Al met al kan het hof uit de door Induco B.V. gestelde feiten dan ook niet afleiden dat I en I c.s. als bestuurders van Groenflex Westland B.V. zodanig hebben bewerkstelligd of toegelaten dat Groenflex Westland B.V. haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet is nagekomen dat hen daarvan als bestuurders jegens Induco B.V., mede gelet op hun verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 28-07-2015

Rechtspraak

OR 2015-0296

Z Beheer/E c.s.

Bestuurdersaansprakelijkheid voor huurovereenkomsten namens een BV in oprichting en bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. Stilzwijgende bekrachtiging huurovereenkomsten in de zin van artikel 2:203 lid 1 BW. Geen hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van artikel 2:203 lid 3 BW jegens de verhuurders nu geïntimeerde het vermoeden dat hij wist of redelijkerwijs kon weten dat de vennootschap haar verplichtingen uit de huurovereenkomsten niet zou kunnen nakomen, volgens het hof overtuigend heeft ontzenuwd, mede in aanmerking nemende dat geïntimeerde en/of zijn vader risicodragend in de Vennootschap hebben geïnvesteerd en gesteld noch gebleken is dat zij in de periode tussen de oprichting en het faillissement van die vennootschap niet te rechtvaardigen profijt van de activiteiten van de Vennootschap, in het bijzonder van de met appellanten gesloten huurovereenkomsten, hebben gehad. Ter zake van de bestuurdersaansprakelijkheid verwijten appellanten het bestuur dat door de Vennootschap geen gebruik is gemaakt van de bestaande mogelijkheid om het gehuurde te exploiteren op de wijze waarop dit eerder gebeurde, welke exploitatie in hun visie profijtelijk was. De stelling van appellanten, dat geïntimeerden ten onrechte niet van een eerder in de praktijk bewezen concept gebruik hebben gemaakt, is volgens het hof in de gegeven omstandigheden ondeugdelijk. Het hof passeert elk bewijsaanbod als niet ter zake doende, althans onvoldoende gespecificeerd. De conclusie is dat de vordering van appellanten geen deugdelijke grondslag heeft. Het vonnis zal op die grond worden bekrachtigd.
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 28-04-2015