Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

4.704 resultaten

Rechtspraak

OR 2015-0275

Fort Oranje/Keytech

Fort Oranje exploiteert een camping/recreatieterrein in de gemeente Zundert. X was in 2010 en daarvoor bestuurder van Fort Oranje. Behalve X zijn (indirect) bestuurder van Fort Oranje: XX (zoon van X) en Y (echtgenote van X). Keytech heeft in de periode van 8 augustus t/m 5 september 2011 zes facturen aan Fort Oranje gestuurd ten bedrage van in totaal € 47.746. De facturen betreffen de inzet van brandwachten in de periode van week 29 t/m 34 van 2011. Deze facturen zijn niet betaald. Keytech heeft Fort Oranje gedagvaard voor de Rechtbank Breda en onder meer gevorderd dat Fort Oranje wordt veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen aan Keytech. De rechtbank stelde vast dat er tussen Keytech en Fort Oranje een mondelinge overeenkomst tot stand is gekomen. Fort Oranje heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof ’s-Hertogenbosch. Het hof oordeelde, evenals eerder de rechtbank, dat aangenomen moet worden dat X zelfstandig bevoegd was om Fort Oranje te binden. Het beroep van Fort Oranje op vernietiging van de overeenkomst wegens een geestelijke stoornis bij X, werd ook in hoger beroep verworpen. Fort Oranje heeft bij dagvaarding cassatieberoep ingesteld tegen het voornoemde arrest van het hof. De conclusie van A-G Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 lid 1 RO. De Hoge Raad oordeelt dat de in het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Hoge Raad, 29-05-2015

Rechtspraak

OR 2015-0267

Atropa/Curator

Schuldeiser in faillissement stelt de curator q.q. en pro se aansprakelijk op de grond dat zij geen betaling in het faillissement ontvangt. In het faillissement heeft de curator, samen met onder meer de bank en de Ontvanger, de activa verkocht aan een externe partij. De koopsom voor die activa is daarbij bepaald op het bedrag dat is vereist om aan de preferente schuldeisers 80% en aan de concurrente schuldeisers 40% van hun schuldvorderingen te betalen. Aan deze verkoop hebben ook de indirect aandeelhouders van de vennootschap meegewerkt. Een aan een van deze aandeelhouders gelieerde vennootschap – Atropa – heeft een vordering ingediend ter verificatie voor een bedrag van circa € 950.000. Na betwisting door de curator is deze vordering in een renvooiprocedure alsnog door het hof toegekend. De curator heeft de afrekening van de koopsom en de uitkering aan schuldeisers echter plaats doen vinden, zonder dat met de vordering van Atropa rekening is gehouden. Aangezien in rechte is vast komen te staan dat Atropa geen afstand heeft gedaan van haar rechten (zij was – kort gezegd – immers zelf géén partij bij de koopovereenkomst), had de curator met de vordering van Atropa rekening moeten houden. Atropa was de enige schuldeiser die geen aanspraak maakte op een uitkering op basis van de regeling tot betalen van de schuldeisers. Volgens Atropa is dit in strijd met beginsel paritas creditorum, artikel 3:277 BW en het systeem van de Faillissementswet. De rechtbank wijst onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BU4204, Prakke/Gips) de vordering toe en acht de curator zowel q.q. als pro se aansprakelijk.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 03-06-2015

Rechtspraak

OR 2015-0264

Onderhoudsbedrijf S.A.S. B.V.

In deze zaak heeft Onderhoudsbedrijf SAS ('SAS') het besluit tot ontbinding van de onderneming middels turboliquidatie (artikel 2:19 lid 4 BW) genomen ná indiening van het verzoek tot faillietverklaring van SAS. SAS komt op tegen het vonnis waarin zij failliet is verklaard door te betogen dat de algemene vergadering SAS (bij besluit) heeft ontbonden, terwijl er ten tijde van dat besluit geen bekende baten aanwezig waren, zodat SAS van rechtswege opgehouden is te bestaan, en een niet langer bestaande rechtspersoon kan niet failliet worden verklaard tenzij is gebleken van baten ten tijde van het ontbindingsbesluit, wat volgens haar niet het geval is. Het hof beoordeelt de zaak 'ex nunc' en vindt dat in hoger beroep summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die het voldoende aannemelijk maken dat er mogelijke baten zijn. Daarbij wijst het hof op het verslag van de curator waaruit blijkt dat SAS heeft nagelaten de jaarrekeningen binnen de in artikel 2:394 BW bedoelde termijn openbaar te maken, hetgeen meebrengt dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Hoewel de aan de curator in het faillissement toekomende vordering op grond van artikel 2:248 BW strikt genomen geen bate van de vennootschap is maar een bate voor de boedel, dient het begrip bate ruim te worden uitgelegd, aldus het hof.
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 02-07-2015