Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

4.704 resultaten

Rechtspraak

OR 2015-0263

X/Y

Een holdingvennootschap die zich beperkte tot het houden van aandelen in het kapitaal van en het voeren van directie over een failliet verklaarde vennootschap is ontbonden middels turboliquidatie (artikel 2:19 lid 4 BW). Na twee jaar verzoekt een schuldeiser alsnog tot faillietverklaring van die holdingvennootschap, omdat de bestuurders van de holdingvennootschap aansprakelijk zouden zijn vanwege het niet deponeren van jaarrekeningen en er dus sprake is van een bate. De rechtbank stelt vast dat ontbinding van verweerster een faillissement niet in de weg staat wanneer voldoende aannemelijk is dat er nog baten zijn. De rechtbank acht echter aannemelijk dat het faillissement van de dochtervennootschap een belangrijke oorzaak is van een eventueel faillissement van de holding en niet het niet deponeren van de jaarrekeningen. Bij een late faillissementsaanvraag als in dit geval, nu de aanvraag wordt gedaan twee jaar na de ontbinding, mag verwacht worden dat door de verzoekster reële baten aannemelijk gemaakt worden. De enkele stelling dat de curator in zijn onderzoek deze reële baten zal vinden is hiervoor niet voldoende. Ook is van belang dat ook het salaris van de curator volgens verzoekster afhangt van de uitkomst van haar eigen onderzoek. Er is geen aanbod gedaan om de werkzaamheden door middel van een boedelkrediet voor te financieren. Het belang van de verzoekster weegt niet op tegen het belang van de benoemen curator om zo veel mogelijk gevrijwaard te blijven van onverhaalbare kosten.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 11-06-2015

Rechtspraak

OR 2015-0260

X/Y

Deze uitspraak ziet op een reddingsplan waartoe is besloten ten aanzien van een scheeps-CV. Onderdeel van dit plan, welk onderdeel nodig is voor de medewerking van de bancaire financiers, is onder meer dat een deel van het commanditaire kapitaal wordt omgezet in een lening aan een bevriende stichting en dat door de commandieten afstand wordt gedaan van (nagenoeg) hun gehele resterende aanspraken. De door Cosmos Shipping B.V., tevens commandiet, aan de CV verstrekte lening zou daarentegen worden geconverteerd in kapitaal. Appellanten hebben als commandieten bezwaar geuit tegen deze constructie, waarna zij in kort geding zijn veroordeeld om kort gezegd de uitvoering daarvan te gehengen en gedogen. Appellanten hebben tegen die veroordeling een groot aantal grieven gericht, welke in de samenvatting worden besproken. Daarbij komt onder meer de door de voorzieningenrechter gemaakte belangenafweging aan bod. Zeer kort samengevat, overweegt het hof dat het enige in rechte te honoreren belang van appellanten dat door de constructie werd aangetast, was het behoud van zeggenschap over het schip, dat echter bij niet-uitvoering van het reddingsplan in elk geval verloren zou zijn gegaan. Daarmee verloor ook dat belang elke betekenis en werd het onredelijk ter bescherming daarvan de meerderheid van de commanditaire vennoten in hun wensen te dwarsbomen. Het hof onderschrijft daarom het oordeel van de voorzieningenrechter dat medewerking aan de conversie in redelijkheid van appellanten gevergd kon worden.
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 02-12-2014