X/Y
Verificatieprocedure. Appellante heeft een vordering ingediend bij de curator in het faillissement van B.V. X op grond van een geldleningsovereenkomst binnen concernverband verstrekt aan Z. In geschil is of (klein)dochtervennootschappen van Z, waaronder X, partij zijn bij aanvankelijke overeenkomst en zo nee, of zij zich later als hoofdelijke medeschuldenaren hebben verbonden. Het hof stelt voorop dat het antwoord op de vraag of en tussen wie een overeenkomst is gesloten gelet op artikel 6:217 e.v. BW in verbinding met artikelen 3:33, 35 en 37 lid 1 BW en vaste rechtspraak (zie onder meer HR 11 maart 1977 ECLI:NL:HR:1977:AC1877 (Kribbebijter) en HR 21 december 2001 ECLI:NL:HR:2001:AD5352 (Van Beers/Van Dalen)) afhangt van het antwoord op de vraag wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in één of meer gedragingen. Het hof concludeert dat X geen partij is bij de aanvankelijke overeenkomst, maar dat X zich met de tweede overeenkomst wel hoofdelijk naast Z heeft verbonden. Ondanks de ongelukkige bewoordingen is dit naar het oordeel van het hof de kennelijke strekking van de overeenkomst.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-02-2015