Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

4.731 resultaten

Rechtspraak

OR 2015-0239

Ontbinding van een maatschap. De rechtbank heeft na een belangenafweging het volledige vermogen aan eiser toebedeeld. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat niet aan een van partijen in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt van het mislukken van hun samenwerking. Daar liggen dan ook geen gronden voor toedeling van de onderneming. Omdat partijen het niet eens kunnen worden over de verdeling van de maatschap, zal op grond van artikel 3:185 BW de wijze van verdeling of de verdeling zelf worden vastgesteld, rekening houdende naar billijkheid met de belangen van partijen en het algemeen belang. Dit kan tot gevolg hebben dat het vermogen van de maatschap wordt toebedeeld aan een van partijen tegen vergoeding van de overwaarde aan de andere partij. De rechtbank stelt dat het algemene belang vergt dat de activiteiten van de maatschap worden opgesplitst, gelet op het feit dat het voor de continuïteit van de onderneming van belang is de naam op beide locaties te handhaven. Het splitsen van de activiteiten van de maatschap door het pand aan gedaagde en de locatie woonzorgcentrum aan eiser toe te delen zou echter teveel inbreuk maken op de continuïteit, omdat dit neerkomt op ten minste één nieuwe fysiotherapiepraktijk onder een andere naam. Het vermogen van de maatschap zal derhalve aan een van partijen worden toebedeeld. De afweging van belangen van partijen en het algemeen belang valt hier uit in het voordeel van de eiser. Hierbij is de continuïteit van de activiteiten van de maatschap van overwegend belang.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 03-06-2015

Rechtspraak

OR 2015-0231

Woonplaats/Z

Na een lang dienstverband van Z bij de door K opgerichte onderneming Woonplaats, heeft Z via zijn holding Y 21 procent van de aandelen in die vennootschap verworven. In het kader van deze participatie is een managementovereenkomst en een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Na opzegging van de managementovereenkomst door Y met inachtneming van de opzegtermijn, heeft Woonplaats diezelfde overeenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd en vordert zij in kort geding – kort gezegd – nakoming van het non-concurrentie-/relatiebeding. Woonplaats heeft deze vordering mede ingesteld tegen onder meer Y en Z in privé. De opzegging van de managementovereenkomst door Woonplaats is naar het oordeel van de voorzieningenrechter nietig, nu hieraan geen besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders ten grondslag ligt. Ten aanzien van de vraag of Z gebonden is aan enig non-concurrentiebeding, zij het op basis van de managementovereenkomst dan wel op basis van de aandeelhoudersovereenkomst, stelt de voorzieningenrechter voorop dat beide overeenkomsten geen arbeidsovereenkomst zijn en dat de al dan niet gebondenheid aan het non-concurrentiebeding naar de maatstaf van artikel 6:248 BW moet worden beoordeeld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat thans geen sprake is van gebondenheid aan enig non-concurrentie- en relatiebeding, noch op basis van de managementovereenkomst, noch op grond van de aandeelhoudersovereenkomst. Wat betreft de managementovereenkomst geldt dat partij bij deze overeenkomst zijn Y en Woonplaats. Z is aldus geen partij en heeft ook niet meegetekend in privé. De relevante bedingen uit de aandeelhouders gelden pas na verkoop van de aandelen door Y, en vaststaat dat daarvan (nog) geen sprake is.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 21-05-2015

Rechtspraak

OR 2015-0223

X/Westerhof q.q.

Bestuurdersaansprakelijkheid. Het hof overweegt dat voldaan is aan de voor artikel 2:138 BW relevante publicatieplichten, zelfs indien niet is gebleken van een nederlegging van de jaarrekening ten kantore van het handelsregister, aangezien wel sprake is geweest van een effectieve openbaarmaking. Er is daarom sprake van een onbelangrijk verzuim. Het enkele feit dat Aino aan het hoofd stond van een aantal dochtervennootschappen brengt volgens het hof nog niet mee dat de administratie van Aino, naast een redelijk inzicht in haar eigen vermogenspositie, tevens een voldoende betrouwbaar inzicht in het vermogen en resultaat van haar dochtermaatschappijen zou moeten geven. Aan welke eisen enige specifieke administratie moet voldoen, hangt af van de omstandigheden van het geval. De bestuurder heeft de holdingvennootschap en de curator in reconventie aangesproken op de grond dat zij hem (tijdens de surseance van betaling) hadden behoren te waarschuwen voor het aflopen van de BCA-verzekering. Voor wat betreft de kwalificatie van een dergelijke vordering verwijst het hof naar HR 19 april 2013 (Koot Beheer/Tideman q.q., ECLI:NL:HR:2013:BY6108) en bespreekt het ‘toedoencriterium’. Naar het oordeel van het hof levert het nalaten van de vennootschap om de bestuurder van het aflopen van de BCA-verzekering in kennis te stellen en hem te wijzen op de mogelijkheid van verlenging van de uitlooptermijn tegen een aanvullende premie geen handelen op dat op grond van het bepaalde in artikel 249 lid 1 sub 3 Fw als handelen van de curator heeft te gelden.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 26-05-2015

Met annotatie door J.B.S. Hijink