X/Y
A is enig aandeelhouder in vennootschap X. Vlak voor de overdracht van zijn aandelen aan vennootschap Y heeft A een tussentijdse dividenduitkering gedaan ten laste van de vrije reserves. Een deel van de uitkering kan worden uitbetaald, omdat Y kort daarvoor een achtergestelde lening is aangegaan. Het overige deel van de uitkering wordt omgezet in een lening. Na faillissement van vennootschap X vordert de curator A hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het faillissementstekort op grond van artikel 2:248 lid 1 BW jo. artikel 2:11 BW. De rechtbank wijst de vordering toe. Het hof wijst de vordering af. Hoewel de betalingsverplichtingen van vennootschap X als gevolg van dividenduitkering (en met name de daarmee gemoeide leningen) zijn toegenomen, is daarmee niet haar liquiditeitspositie in negatieve zin aangetast, in die zin dat zij daardoor in betalingsmoeilijkheden werd gebracht. Evenmin is er reden om aan te nemen dat de dividenduitkering, zoals deze heeft plaatsgevonden, redelijkerwijs tot gevolg zou hebben dat de crediteuren van X niet meer zouden kunnen worden voldaan.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 20-01-2015