B.P. Willemse q.q./X en Y
Vordering van eiser, de curator van een gefailleerde vennootschap, tegen gedaagden, gewezen (middellijk) bestuurder van die vennootschap, tot betaling van het boedeltekort op grond van onbehoorlijke taakvervulling. De rechtbank oordeelt dat hoewel het onweerlegbare vermoeden van onbehoorlijk bestuur ex artikel 2:248 is gegeven, nu de jaarrekeningen over 2009 en 2010 niet openbaar gemaakt zijn binnen de daartoe voorgeschreven termijn en zulks geen onbelangrijk verzuim vormt, de door de bestuurder aangevoerde omstandigheden als oorzaken van het faillissement van de vennootschap aannemelijk zijn geworden, waarmee het voorshandse vermoeden is ontzenuwd en de curator niet aannemelijk heeft gemaakt dat onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 20-04-2016