Naar boven ↑
4.495 resultaten

Rechtspraak

OR 2015-0333

SNCU/X

SNCU, dat onder meer toeziet op een correcte naleving van bepaalde cao's is een nakomingsactie gestart tegen World@Work. SNCU heeft 'de totale indicatieve materiële schadelast' berekend op een bedrag van € 37.359. Bij vonnis van de Kantonrechter te Groningen is World@Work onder meer veroordeeld tot naleving van de cao, inhoudende het voldoen van een nabetaling aan de betrokken werknemers. SNCU heeft vervolgens geïntimeerde, als bestuurder van World@Work gedagvaard en onder meer gevorderd: veroordeling van geïntimeerde tot naleving van de cao's, en meer precies tot (onder meer) compensatie van het vastgestelde bedrag aan materiële benadeling van in de onderzoeksperiode bij de onderneming werkzame werknemers ad € 37.359 aan de benadeelde werknemers. SNCU heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat geïntimeerde als bestuurder van World@Work onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij voor de daaruit voortvloeiende schade, bestaande uit voornoemd bedrag, aansprakelijk is. Naar het oordeel van het hof heeft SNCU onvoldoende onderbouwd waaruit de frustratie van betaling en verhaal door geïntimeerde bestond in de periode van september 2005 tot en met maart 2008, zijnde de periode waarvan is vastgesteld dat door World@Work niet geheel conform de cao werd verloond. Het hof spitst zich dan ook toe op de periode vanaf het moment waarop World@Work voor het eerst door SNCU werd aangeschreven, te weten medio 2008, en zij bekend raakte met (de mogelijkheid van) een vordering van SNCU. X stelt dat in die periode sprake was van betalingsonmacht aan de zijde van World@Work. Het hof oordeelt echter dat X zijn stelling op dit punt nader dient te onderbouwen aan de hand van over te leggen administratie van de onderneming over die periode.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 08-09-2015

Rechtspraak

OR 2015-0332

Young Boys V.V.

Bestuurdersaansprakelijkheid. De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid V.V. Young Boys (hierna: 'de vereniging') is een voetbalclub. De Belastingdienst heeft geconstateerd dat de vereniging een onvolledige administratie heeft gevoerd, dat inkomsten uit kantine-exploitatie, sponsorbijdragen en verkoop van entreekaarten niet of nauwelijks werden bijgehouden en dat de vereniging nooit aangifte omzet- en loonbelasting heeft gedaan. Daarop heeft de Belastingdienst naheffingsaanslagen opgelegd. Vanaf maart 2010 werden in de bestuurskamer van de vereniging (illegale) pokeravonden gehouden. Gedaagde 2 en 7 zijn vervolgd voor het organiseren van de pokeravonden en het witwassen van de pokeropbrengsten. In 2012 heeft het interim-bestuur het faillissement van de vereniging aangevraagd wegens financiële problemen van de vereniging. De curator vordert, kort samengevat, een verklaring voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor primair het faillissementstekort van de vereniging ex artikel 2:50a jo. 2:138 BW, en subsidiair voor de schade als gevolg van hun onrechtmatig handelen. De primaire vordering strandt, nu de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een aan de vennootschapsbelasting onderworpen vereniging. De subsidiaire vordering wordt toegewezen. Bij de beoordeling van de subsidiaire vordering overweegt de rechtbank dat geen, althans geen deugdelijke administratie of boekhouding is bijgehouden, dat er jarenlang geen belastingaangiften zijn gedaan, er geen ledenvergaderingen zijn gehouden en er een frauduleuze boekhouding werd gevoerd waarbij illegale pokeravonden in het clubhuis werden georganiseerd waarbij de daaruit voortvloeiende inkomsten op frauduleuze wijze in de boekhouding van de vereniging werden verwerkt en ingezet om schulden van de vereniging te betalen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een tekortkoming in de behoorlijke taakvervulling van de bestuurders in de zin van artikel 2:9 BW (oud).
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 02-09-2015

Met annotatie door B.I. Kraaipoel

Rechtspraak

OR 2015-0322

X/Y

In deze zaak is sprake van een samenwerking tussen drie aandeelhouders die tevens bestuurder zijn. Deze aandeelhouders/bestuurders hebben in de statuten en in een aandeelhoudersovereenkomst opgenomen dat een besluit tot ontslag alleen genomen kan worden met unanimiteit. De voorzieningenrechter overweegt dat, hoewel een dergelijke afspraak ingevolge artikel 2:244 lid 2 BW niet in statuten kan worden vastgelegd, afspraken die zijn neergelegd in een aandeelhoudersovereenkomst onder omstandigheden op grond van artikel 2:8 BW kunnen doorwerken in de verhouding tussen een vennootschap en haar bestuurder. Voorts stelt de voorzieningenrechter dat naast de belangen van de aandeelhouders, wiens posities door het unanimiteitsvereiste worden beschermd, rekening moet worden gehouden met de belangen van de vennootschap zelf. Door twee bestuurders is uiteengezet dat zij problemen ervaren binnen de samenwerking en het bestuur en dat zij bezwaren hebben tegen het door eiseres gevoerde beleid en dat de continuïteit van de vennootschap in gevaar komt. Mede gelet op deze omstandigheden vindt de voorzieningenrechter dat er onvoldoende aanleiding bestaat om het unanimiteitsvereiste in de verhoudingen tussen de vennootschap en eiseres te laten doorwerken. De voorzieningenrechter oordeelt dat het met het unanimiteitsvereiste beschermde belang van de minderheidsaandeelhouder die tevens een bestuurder levert, niet opweegt tegen het in artikel 2:244 lid 2 BW beschermde belang van de vennootschap.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 31-07-2015

Rechtspraak

OR 2015-0321

Dombo Beheer B.V./Staat der Nederlanden

Dombo heeft een procedure aangespannen tegen de NMB waarin zij schadevergoeding vorderde. Na bewijslevering in hoger beroep, waarbij de raadsheer-commissaris had geweigerd de (voormalig) directeur van Dombo als getuige te horen omdat deze als partijgetuige zou moeten worden beschouwd, heeft het Hof Arnhem bij arrest de vordering van Dombo afgewezen. De Hoge Raad heeft het tegen dit arrest gerichte cassatieberoep verworpen. Dombo heeft hierop een klacht ingediend onder het EVRM, die het EHRM in zijn uitspraak gegrond heeft bevonden. Het EHRM was, kort gezegd, van oordeel dat, nu de plaatselijke directeur van de NMB (Van Workum), die met de voormalig directeur van Dombo had onderhandeld, wel als getuige was gehoord, de equality of arms zich er tegen verzette dat de voormalig directeur van Dombo niet als getuige werd gehoord. Het EHRM concludeerde dat Nederland artikel 6 EVRM had geschonden. In het onderhavige geding vordert Dombo een verklaring voor recht en veroordeling van de Staat tot betaling van schadevergoeding aan Dombo. In haar eindvonnis heeft de rechtbank de vorderingen van Dombo afgewezen, omdat zij tot de conclusie komt dat het Hof Arnhem de vorderingen van Dombo ook zou hebben afgewezen indien de voormalig directeur van Dombo in het geding tegen de NMB als getuige zou zijn gehoord. Dit betekent dat Dombo er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat er causaal verband bestaat tussen de weigering van de raadsheer-commissaris om de voormalig directeur van Dombo als getuige te horen en de afwijzing van haar vordering tegen de NMB, aldus de rechtbank. Het Hof Den Haag oordeelt dat alle door Dombo tegen dit vonnis gerichte grieven falen en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 22-07-2014