Atropa/Curator
Schuldeiser in faillissement stelt de curator q.q. en pro se aansprakelijk op de grond dat zij geen betaling in het faillissement ontvangt. In het faillissement heeft de curator, samen met onder meer de bank en de Ontvanger, de activa verkocht aan een externe partij. De koopsom voor die activa is daarbij bepaald op het bedrag dat is vereist om aan de preferente schuldeisers 80% en aan de concurrente schuldeisers 40% van hun schuldvorderingen te betalen. Aan deze verkoop hebben ook de indirect aandeelhouders van de vennootschap meegewerkt. Een aan een van deze aandeelhouders gelieerde vennootschap – Atropa – heeft een vordering ingediend ter verificatie voor een bedrag van circa € 950.000. Na betwisting door de curator is deze vordering in een renvooiprocedure alsnog door het hof toegekend. De curator heeft de afrekening van de koopsom en de uitkering aan schuldeisers echter plaats doen vinden, zonder dat met de vordering van Atropa rekening is gehouden. Aangezien in rechte is vast komen te staan dat Atropa geen afstand heeft gedaan van haar rechten (zij was – kort gezegd – immers zelf géén partij bij de koopovereenkomst), had de curator met de vordering van Atropa rekening moeten houden. Atropa was de enige schuldeiser die geen aanspraak maakte op een uitkering op basis van de regeling tot betalen van de schuldeisers. Volgens Atropa is dit in strijd met beginsel paritas creditorum, artikel 3:277 BW en het systeem van de Faillissementswet. De rechtbank wijst onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BU4204, Prakke/Gips) de vordering toe en acht de curator zowel q.q. als pro se aansprakelijk.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 03-06-2015